Plenair Terpstra bij behandeling Participatiewet en Wet werk en bijstand



Verslag van de vergadering van 24 juni 2014 (2013/2014 nr. 35)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.22 uur


De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Twee weken geleden is in dit huis met steun van de CDA-fractie de Wet werk en zekerheid aanvaard; de eerste wet uit een serie van drie gericht op de hervorming van de arbeidsmarkt. Vandaag behandelen we de Wijziging van de Wet werk en bijstand en de Invoeringswet Participatiewet. Gelet op de nauwe verwevenheid van beide wetsvoorstellen hebben wij van harte ingestemd met een gezamenlijke behandeling. Wij zijn blij dat hier zelfs de hele dag voor is uitgetrokken.

Onze fractie hecht eraan, op te merken dat de partijen die een grote rol hebben gespeeld bij de opbouw van onze verzorgingsmaatschappij of verzorgingsstaat zich ook verantwoordelijk moeten voelen voor de aanpassing van het stelsel aan nieuwe omstandigheden. Dit geldt voor werkgevers, werknemers en met name voor het CDA, de PvdA en de VVD. Naar ons idee zijn dit de belangrijkste vormgevers van ons huidige sociale model.

De Wet werk en bijstand wil de bijstand meer activerend maken en de Participatiewet probeert alle regelingen voor de zogenaamde onderkant van de arbeidsmarkt — ik kan geen beter woord vinden, maar dit woord wordt ook steeds in de stukken gebruikt — op elkaar af te stemmen. Alle schotten zouden moeten verdwijnen waardoor de gemeenten met een veel grotere vrijheid aan de slag kunnen gaan. In de Wet werk en bijstand wordt de kostendelersnorm ingevoerd; in het oorspronkelijke voorstel ook voor de AOW.

De heer Thissen (GroenLinks):

Mag ik collega Terpstra en misschien ons allen de suggestie doen om het niet meer te hebben over de onderkant van de arbeidsmarkt, omdat dat erg stigmatiserend is, maar het te hebben over de meest kwetsbare leden van de beroepsbevolking? Deze wetten zijn er om ervoor te zorgen dat zij naar vermogen kunnen meedoen op de arbeidsmarkt. Het gaat volgens mij om de meest kwetsbare leden van de beroepsbevolking.

De heer Terpstra (CDA):

Wij bedoelen exact hetzelfde. Daarom heb ik ook gezegd "de zogenaamde onderkant van de arbeidsmarkt" en geciteerd wat in onze stukken staat. "De meest kwetsbare groep op de arbeidsmarkt" is misschien wel een betere vertaling.

In de Wet werk en bijstand wordt de kostendelersnorm ingevoerd, oorspronkelijk ook voor de AOW. Tegen dit laatste voorstel is veel verzet gerezen omdat velen deze maatregel haaks vinden staan op de wens meer om te zien naar ouderen. Meer mantelzorg is een goede zaak op zich. In dit verband wil ik met name noemen mijn collega in de Tweede Kamer Pieter Heerma, die heeft geprobeerd dit onderdeel uit de wet te amenderen. Dit is hem niet gelukt omdat partijen die zich nu heftig verzetten tegen de mantelzorgboete, zoals de PvdA en de ChristenUnie volgens krantenberichten, toentertijd zijn amendement niet hebben gesteund.

Wij stemmen als CDA in met het besluit van de staatssecretaris, de zogenaamde mantelzorgboete uit de Wet werk en bijstand te halen en daarover een brede maatschappelijke discussie te beginnen. Wij zullen hieraan graag meedoen met een open vizier. Voor ons staat nog niet vast dat de mantelzorg in elk geval zou moeten worden bevorderd via een hogere AOW maar het omgekeerde standpunt hebben wij ook niet. Wel zijn we benieuwd wat de regering van plan is indien er geen oplossing wordt gevonden in het overleg tussen de sector sociale zekerheid en de sector zorg, om het zo maar te formuleren. Dit speelt temeer daar de oplossing nu betekent dat de invoeringsdatum een jaar is verschoven. Ook andere fracties hebben hiernaar gevraagd. Wij verwachten van de staatssecretaris uiteraard een helder antwoord.

Een van de positieve elementen uit beide wetsvoorstellen is de vergroting van de rol van de gemeenten. Aan deze vrijheid hecht onze fractie veel waarde. Op een aantal gebieden wordt de beleidsruimte voor de gemeenten toch weer beperkt. Het gaat hier met name om re-integratieverplichtingen en om het gedrag bij solliciteren. Is de voorgestelde harmonisering alleen maar nodig, omdat een deel van de gemeenten niet bereid is, op dit gebied maatregelen te nemen? En hoe zit het dan met de beleidsvrijheid van deze gemeenten? Tegelijkertijd krijgen de gemeenten wel vrijheid, de door ons aanvaardbaar geachte tegenprestatie vorm te geven. Als ik het goed heb begrepen, wordt in Amsterdam deze vrijheid gebruikt om elke tegenprestatie af te wijzen. Ik vraag de staatssecretaris of dit persbericht klopt. Alhoewel wij het hier inhoudelijk zeer mee oneens zijn, zou onze fractie Amsterdam deze vrijheid wel willen gunnen. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Hoe ver gaat bij de staatssecretaris de vrijheid van gemeenten?

Een belangrijk onderdeel van de Wet werk en bijstand is de invoering van de kostendelersnorm. De kostendelersnorm lijkt qua argumentatie heel erg op de vroegere voordeurdelersregeling uit de vorige eeuw en op de huishoudinkomenstoets uit de voorstellen van het kabinet-Rutte I. Wij steunen als CDA de wens, stapeling van uitkeringen binnen één gezin tegen te gaan. Dit gold in het verleden voor de voordeurdelersregeling en de huishoudinkomenstoets. In dit licht is het logisch dat wij ook kunnen instemmen met de kostendelersnorm. Wanneer men samenwoont worden uitgaven voor met name wonen en energie gedeeld en dus per persoon lager. In de bijstand wordt met betrekking tot de stijging van de uitkeringen aangesloten bij de AOW. De stijging van 30% per persoon kunnen wij dus ook steunen. De stapeling van uitkeringen binnen één gezin is ook niet bevorderlijk voor het aannemen van werk. Zelfs bij een zeer hoge arbeidsmoraal kan stapeling van uitkeringen verleidelijk zijn. Vandaar ook onze instemming vanuit het gezichtspunt van de activerende sociale zekerheid. Commerciële relaties zijn uitgesloten van de kostendelersnorm. Hoe denkt de regering te kunnen verhinderen dat commerciële relaties worden opgezet alleen maar om de kostendelersnorm te omzeilen?

Tijdens het debat in de Tweede Kamer zijn drie amendementen aangenomen. Kinderen tot en met 21 jaar vallen niet onder de kostendelersnorm. Het was oorspronkelijk 18 jaar. Daarmee kunnen wij, gelet op de stijgende jeugdwerkloosheid, heel goed leven. De wachttijd van vier weken geldt niet voor personen boven de 27 jaar. Dit amendement strookt weer met de Wet werken naar vermogen. Voor alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar is de sollicitatieplicht opgeschort.

Uit het Armoedesignalement 2013 van het CBS en het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat het risico op armoede relatief hoog is bij eenoudergezinnen. Door de vrijstelling van de sollicitatieplicht ontstaat het risico dat de band met de arbeidsmarkt jarenlang beperkt of zelfs afwezig is. Wij zien hierin een risico in het licht van de gegevens uit het Armoedesignalement. Vandaar dat wij zouden willen bepleiten dat de gemeenten op vrijwillige basis mogen blijven proberen de band met de arbeidsmarkt ook voor deze groep te handhaven. Uit de stukken hebben wij begrepen dat de regering dezelfde mening heeft.

In het debat met minister Asscher over de kindregelingen en ook bij dit wetsvoorstel heeft de woordvoerder van GroenLinks gewezen op het feit dat voorstanders van deze ideeën uitgaan van een totaal verkeerd mensbeeld. Blijkbaar is het in de visie van GroenLinks geen enkel probleem dat in een bepaalde situatie het gaan werken leidt tot een daling van het gezinsinkomen. Daar wij dit als CDA ongewenst vinden, gelet op het functioneren van de maatschappij en ook op de solidariteit in het stelsel van de sociale zekerheid, zouden wij graag van de woordvoerder van GroenLinks vernemen wat er nu eigenlijk mis is met ons mensbeeld.

Nu kom ik toe aan de Participatiewet.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik weet niet hoeveel tijd de heer Terpstra heeft om uitvoerig te praten over het mensbeeld van het CDA?

De heer Terpstra (CDA):

De hele dag.

De heer Thissen (GroenLinks):

De hele dag, tot middernacht, maar ik neem aan dat andere collega's ook nog aan het woord moeten komen en niet in de laatste plaats natuurlijk ook de staatssecretaris. In het debat over de kindregelingen bedoelde ik te zeggen — en ik zal er vandaag wederom de vinger opleggen — dat de redenering van de minister om de kindregelingen te versoberen gelegen is in het feit dat hij de kindregelingen plaatste in het perspectief van de arbeidsmarkt. Hij heeft de kindregelingen gedefinieerd als een arbeidsmarktinstrument. Als je daarbij het woord "prikkelen" gebruikt, zeg je dat mensen er vrijwillig voor kiezen in een uitkeringssituatie te zitten in plaats van naar vermogen mee te doen aan de arbeid. Het is stigmatiserend als je zegt dat mensen een prikkel nodig hebben om aan de arbeidsmarkt mee te doen. Dat is één. Ten tweede kun je mij niet verwijten dat ik niet altijd heb gezegd dat werken moet lonen, maar de prikkel daarvoor is wel verkeerd. Dan moet je arbeid goedkoper maken voor werkgevers in plaats van dat je de uitkeringen verlaagt voor mensen met een uitkering.

De heer Terpstra (CDA):

Hartelijk dank. Ik heb deze vraag gesteld omdat zowel bij de discussie over de kindregelingen alsook bij de Participatiewet GroenLinks uitgebreid is ingegaan op het mensbeeld. Aangezien wij die gedachte ook steunen, vraag ik mij af of de heer Thissen nog eens heel duidelijk zou kunnen maken wat precies zijn mensbeeld is. Ik heb er nu iets meer van begrepen dan voordat ik deze vraag stelde, maar nog niet alles. Maar dat komt misschien in de termijn van de heer Thissen aan de orde en verder heb ik de hele dag de tijd.

Nu kom ik toe aan de Participatiewet. De Participatiewet is een wijziging van de Wet werken naar vermogen van het kabinet-Rutte I. Hoofddoel is het samenvoegen van alle maatregelen voor de kwetsbare groepen mensen op de arbeidsmarkt. Ik leer al heel snel, zou je kunnen zeggen. Het gaat hierbij om de bijstand, de Wet sociale werkplaatsen en de Wajong. Onze fractie is verheugd dat het kabinet plannen van het vorige kabinet, weliswaar in enigszins gewijzigde vorm, heeft overgenomen en werken naar vermogen voor alle werknemers als uitgangspunt van beleid blijft nemen.

Uitgaan van de vraag wat mensen wel kunnen in plaats van uitgaan van de vraag wat mensen niet meer kunnen, wordt door ons volledig onderschreven. Afgezien van een door ons gesteunde overgangsmaatregel voor de Wajong wordt de uitvoering van het beleid volledig overgedragen aan de gemeenten samen met werkgevers en werknemers. Deze tripartiete benadering, die ons sterk doet denken aan de tripartisering van de arbeidsvoorziening in de vorige eeuw, heeft onze volledige steun. De arbeidsvoorziening in deze vorm is in de vorige eeuw vroegtijdig opgeheven door herhaaldelijk ingrijpen van de zijde van de rijksoverheid. Wij hebben er het volste vertrouwen in dat dit nu niet weer zal gebeuren met de in de wet voorziene 35 regionale werkbedrijven. Wij ontvangen vandaag graag een bevestiging van de staatssecretaris dat dit de juiste vooronderstelling is.

In het sociaal akkoord is afgesproken, op termijn 125.000 banen te scheppen: 100.000 in de marktsector en 25.000 bij de overheid. Dit is een goede zaak. Het is belangrijk dat werkgevers en werknemers zich inzetten voor de doelgroepen. Deze afspraak vervangt de quotumwet. Dat is de wet die werkgevers verplicht om een percentage kwetsbare mensen op de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Wel kan deze wet worden ingezet als het niet lukt met de afspraken, als een soort stok achter de deur. Wij gaan ervan uit dat de staatssecretaris de ontwikkeling van het aantal banen op de voet blijft volgen, in overleg met de sociale partners. Kan de staatssecretaris aangeven hoe dit proces ongeveer zal verlopen? Op grond van welke gegevens komt de Quotumwet te zijner tijd weer in beeld?

Een van de belangrijkste wijzigingen in de Participatiewet ten opzichte van de Wet werken naar vermogen is het vervangen van de loonsuppletieregeling door een subsidieregeling. Dit is mede gebeurd op wens van de sociale partners. Op vragen van ons naar het verschil tussen beide systemen wijst de regering met name naar de voordelen van de werknemers op het gebied van bijvoorbeeld de oudedagsvoorziening.

Dat is op zichzelf helemaal juist. Wij hadden echter bij onze vraag vooral het oog op de effectiviteit met betrekking tot de werkgelegenheid. Wij gaan ervan uit dat de regering ook dit punt zal meenemen bij het volgen van de ontwikkeling van het aantal banen en eventueel ook het instrumentarium zal kunnen of willen bijstellen. Wij wachten in dit kader de studie af naar aanleiding van de motie-Heerma met betrekking tot een individuele aanvaarding van het loondispensatiesysteem.

Voor het CDA staat vast dat beschut werk in welke vorm dan ook noodzakelijk blijft voor een deel van de werknemers. Wij hechten zeer aan dit onderdeel van het sociaal beleid in ons land. In de stukken wordt gesproken over 30.000 personen. Wij gaan ervan uit dat dit alleen maar als indicatie is gebruikt en niet als bovengrens. Graag horen wij van de staatssecretaris dat het aantal plaatsen in de sector beschut werk zal worden gebaseerd op de behoefte en niet op een budget of op de 30.000 personen die in de stukken worden genoemd. Het is ons nog niet geheel duidelijk hoe voor deze sector de arbeidsvoorwaarden zullen worden vastgesteld. Een cao met de VNG lijkt ons het meest voor de hand liggend.

Tevens hebben wij met instemming vastgesteld dat de overheid zich mede verantwoordelijk voelt voor het probleem van het pensioenfonds in deze sector. Als de toestroom in deze sector wordt afgeremd, is het logisch dat het pensioenfonds financiële problemen krijgt. Volgens ons is het echter niet aan de Eerste Kamer om vast te stellen over welke bedragen het hier zou moeten gaan. Wij gaan uit van de verantwoordelijkheid van de regering, ook op dit punt. Graag horen wij ook hier de visie van de staatssecretaris.

Voor de overige werknemers in de WSW is het van het grootste belang dat de opbouw van de 125.000 banen met succes verloopt. Opbouw van banen bij de overheid en in de marktsector en de afbouw van de WSW vormen in zekere zin communicerende vaten. Wij gaan ervan uit dat de ontwikkeling door alle partijen op de voet zal worden gevolgd. Vooraf speculeren of deze operatie wel of niet zal lukken lijkt ons niet zo zinvol. Daar hebben wij tot nu toe niet aan meegedaan en die lijn blijven wij volgen. Kan de regering ons beloven deze ontwikkeling nauwlettend te volgen en daarover regelmatig verslag uit te brengen?

In het debat over de WSW hebben wij ook aandacht gevraagd voor de zorgplicht. De zorgplicht was ook het belangrijkste punt vorige week bij de aanbieding van een petitie door Abvakabo. Deze zorgplicht is nu opgenomen in de WSW. Kan de staatssecretaris vandaag nog eens helder uiteenzetten waarom volgens de regering de zorgplicht die in de WSW staat niet in de Participatiewet behoeft te worden opgenomen?

Wij wachten zoals altijd de antwoorden van de regering met grote belangstelling af.