Plenair Hoekstra bij voortzetting behandeling Einde export kinderbijslag



Verslag van de vergadering van 10 juni 2014 (2013/2014 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.10 uur


De heer Hoekstra (CDA):

Voorzitter. Laat ik mij beperken tot een aantal korte opmerkingen en een groot aantal vragen.

Het verloop van dit wetsvoorstel, zo mag ik met enige voorzichtigheid zeggen, was merkwaardig. De beraadslaging is gestart, opgeschort, weer gestart en leek op enig moment in niemandsland beland. Nu, op de dag waarop wij het wetsvoorstel weer oppakken, ligt het woonlandbeginsel onder vuur in de rechtszaal en zet de Tweede Kamer de minister in spreekwoordelijke zin het mes op de keel met een motie over het verdrag. Wij kregen zojuist een e-mail van de griffie dat die motie inmiddels is aangenomen. Het woonlandbeginsel is natuurlijk niet hetzelfde als de exportbeperking, maar het betreft wel hetzelfde dossier. De exportbeperking gaat alleen nog wat verder. Dan is het de vraag wat de minister precies van de senaat wil. Op basis waarvan trekt hij de conclusie dat de Staat nu opnieuw juridisch onderuit gaat, in ieder geval in een deel van de aangespannen procedures? Misschien kan de minister eens ingaan op de methodologie en de garanties die hij kan bieden. Voor ons is dat van groot belang. Wij zijn van begin af aan geneigd geweest om mee te denken over deze wet, maar hechten wel aan een juridisch verstandig optredende overheid.

Dat brengt mij bij mijn tweede punt. Wij hebben ons afgevraagd welke volgordelijkheid de minister zou willen aanhouden als dit wetsvoorstel zou worden aangenomen. Wil hij het wetsvoorstel aannemen, vervolgens de verdragen aanpassen dan wel opzeggen en daarna tot uitvoering overgaan? Als dat de volgorde zou moeten zijn — en daar lijkt wel iets voor te zeggen — is het de vraag waarom de minister of het kabinet die volgorde niet ook heeft gehanteerd bij het woonlandbeginsel. Dat had immers veel ellende gescheeld, zo menen wij. Misschien kan de minister precedenten noemen van eerdere wetgeving, die op eenzelfde manier is aangenomen en vervolgens in de ijskast is blijven liggen in afwachting van een verdragsaanpassing, eigenlijk de volgorde die de minister naar wij vermoeden voorstaat. Vervolgens is het de vraag wat zich verzet tegen die omgekeerde volgorde, namelijk het verdrag opzeggen dan wel wijzigen en pas daarna het wetsvoorstel aannemen. Dat zou weliswaar opnieuw vertraging met zich meebrengen, maar wij zouden graag de mening van de minister daarover horen.

Los van de motie van de Tweede Kamer zouden wij graag van de minister horen onder welke voorwaarden hij zelf tot opzegging zou willen overgaan. Stel dat de minister uiteindelijk tot opzegging overgaat, in hoeverre ontslaat hem dat dan van de verplichting om in bestaande gevallen verdragen na te komen? Wat is bijvoorbeeld de schaduwzijde van het opzeggen van het verdrag met — laten wij een niet helemaal willekeurig land noemen — Marokko? Wat zijn de rechten en onderzoeksmogelijkheden die op dat moment voor Nederland verloren gaan en wat is zijn inschatting van de financiële schade? Als je verder kijkt dan de eventuele vervolgschade op het dossier van de minister, hoe moet je dan het bredere belang van de Nederlandse staat wegen als je tot opzegging zou overgaan? Wat zijn in bredere zin de consequenties voor de Staat, dus buiten het onmiddellijke bereik van de portefeuille van deze minister?

Dit waren een heleboel vragen. Nu kom ik op mijn derde punt. De minister heeft ooit gezegd dat het voor de integratie van met name Marokkaans-Nederlandse kinderen — ik meen dat hij specifiek die groep noemde — beter zou zijn om hun jeugd geheel in Nederland door te brengen. Hij verwees daarbij vermoedelijk niet helemaal zonder trots naar zijn eigen ervaring als wethouder in Amsterdam. Eerlijk gezegd, waren wij wel gevoelig voor dat integratieargument, ook omdat het tot dat moment in het debat niet naar voren was gebracht. Tot die tijd ging het eigenlijk vooral om geld. Wij nodigen de minister uit om in deze derde en misschien ook wel laatste termijn daar nog eens op in te gaan en om te onderbouwen wat precies de aantallen zijn die hij daarbij in zijn hoofd heeft. Hoeveel kinderen verwacht hij dat er na het ingaan van de regeling in haar huidige vorm niet meer buiten Nederland zullen opgroeien, met precies de problematiek die hij hier de vorige keer schetste als gevolg? En wat is daarvan eigenlijk de maatschappelijke winst, dus de winst voor de samenleving, maar ook voor de kinderen zelf?

Laat ik na al deze vragen afsluiten met de opmerking dat wij, zoals gebruikelijk, met misschien nog wel meer belangstelling dan gewoonlijk uitkijken naar de beantwoording van de minister.