Kamerleden tussen 1917 en 1945



De samenstelling van de Kamers in deze periode is sterk beïnvloed door de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1918. Die hield in dat het aantal zetels in de evenredig was aan het aantal stemmen dat landelijk was behaald. Bij het districtenstelsel was dat niet zo. Onder dat systeem gingen de zetels naar de afgevaardigden die in hun disctrict de meeste stemmen hadden behaald. 

Meer afbeeldingen

Lees de biografieën van de Kamerleden Pieter Diepenhorst en Arnold Engels.


Partijen vertegenwoordigen maatschappelijke groepen

Partijen zorgden ervoor dat hun Kamerleden afkomstig waren uit alle geledingen van de maatschappij. Zo hadden de katholieke arbeiders, boeren en middenstanders hun eigen vertegenwoordigers. En dat gold op dezelfde wijze voor de protestanten. Bij de sociaaldemocraten hadden onderwijzers van openbare scholen en vakbonden van fabrieksarbeiders, ambtenaren en spoorwegpersoneel hun ‘eigen’ afgevaardigden. Bij de liberalen waren welgestelde boeren en leden uit het bedrijfsleven te vinden. Ook kleine groeperingen, zoals communisten en orthodox-protestanten, hadden Kamerleden.

De Eerste Kamer verschilde wat dat betreft niet veel van de Tweede Kamer, al waren daar geen communisten en streng-gereformeerden te vinden. In de Eerste Kamer zaten wel meer hoogleraren en iets meer oudgedienden, zoals oud-ministers.


Weinig verschuivingen door verzuilde samenleving

Door de verzuilde samenleving, waarbij katholieken, protestanten, socialisten en neutralen hun eigen organisaties en partijen hadden, waren er bij verkiezingen altijd maar weinig verschuivingen. Soms ging het slechts om een paar zetels. Dat betekende ook dat Kamerleden redelijk zeker waren van hun zetel en soms lang in de Kamer bleven. Zo was de sociaaldemocraat Klaas ter Laan Tweede Kamerlid van 1901 tot 1937, de CHU’er Tilanus van 1922 tot 1963. De ARP’er Duymaer van Twist was zelfs bijna 45 jaar lid (1901 tot 1946).


De eerste vrouwelijke politici in de Kamers

In 1918 was de socialiste Suze Groeneweg de eerste vrouw in de Tweede Kamer en in 1920 haar partijgenote Carry Pothuis-Smit de eerste vrouw in de Eerste Kamer. Maar er zaten nog lange tijd maar heel weinig vrouwen in beide Kamers. Zo was er steeds maar één vrouwelijke senator. In sommige partijen mochten vrouwen niet eens Kamerlid worden; bij de katholieken alleen ongehuwde vrouwen.