30.584 (R1811)

Verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning en invoering verklaring van verbondenheid



Deze wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) regelt de invoering van een verklaring van verbondenheid als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie of door naturalisatie, en de wijziging van de regels betreffende de verkrijging van het Nederlanderschap in geval van erkenning na geboorte.

Verder verduidelijkt het de rechtspositie van oudere minderjarigen bij de verkrijging en het verlies van het Nederlanderschap. In de verklaring van verbondenheid gaat het om het besef dat de relatie met de samenleving wordt versterkt. Dit wordt uitgedrukt in het respect voor de rechtsorde die het samenleven mogelijk maakt en in de belofte de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voortvloeien.

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.


Stand van zaken

Het voorstel is op 26 februari 2008 aangenomen door de Tweede Kamer. De fractie van de PVV stemde tegen.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 24 juni 2008 als hamerstuk afgedaan.


Kerngegevens

ingediend

6 juni 2006

titel

Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning

schriftelijke voorbereiding

inbreng geleverd door

ondertekening

  • minister van Justitie

inwerkingtreding

Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip


Hoofdlijnen

  • Deze wetswijziging voorziet erin dat de optant of naturalisandus al bij zijn verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 6 RWN of zijn verzoek tot naturalisatie als bedoeld in artikel 7 RWN aangeeft bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen.
  • De wijziging van het Nederlanderschap in geval van erkenning na geboorte heeft betrekking op de regeling dat een minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander is erkend of door wettiging het kind van een Nederlander geworden is, daardoor niet meer van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt. In zulke gevallen kan de minderjarige vreemdeling het Nederlanderschap pas verkrijgen als hij na de erkenning door een Nederlander of na de bedoelde wettiging ten minste drie jaar verzorging en opvoeding van deze Nederlander genoten heeft.
  • De hier voorgestelde regeling gaat er verder vanuit dat de schijnerkenningen die enkel erop gericht zijn Nederlanderschap te verschaffen vrijwel alleen plaatsvinden met betrekking tot oudere minderjarigen. Om die redenen kan dan ook de regeling van verkrijging van het Nederlanderschap wegens erkenning door een Nederlander, opgenomen in artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals die luidde voor 1 april 2003, worden heringevoerd ten aanzien van erkenningen die plaatsvinden kort na geboorte van het kind, althans in de eerste levensjaren van het kind. Bovendien kan die verkrijgingsregeling worden heringevoerd ongeacht de leeftijd van de minderjarige, als de Nederlander die het kind erkent, aantoont de biologische vader van het kind te zijn.

Documenten

3
  • 26 februari 2008
    stemming (aangenomen, tegen: PVV) Handelingen TK 2007/2008, nr. 55, blz: 3969
  • 30 januari 2008
    behandeling Handelingen TK 2007/2008, nr. 47, blz: 3505-3536