T03344

Toezegging Onderzoek naar en monitoring van effect aanmeldmoment op motivatie van leerlingen (35.671)



De minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Fiers (PvdA) en Van Apeldoorn (SP), toe om onderzoek te doen naar de effecten van een later aanmeldmoment voor de motivatie van leerlingen en dit mee te nemen in de evaluatie van het wetsvoorstel.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 6

De heer Van Apeldoorn (SP):

Verder is het de vraag, als je kiest voor een centraal aanmeldmoment, welk moment je dan daarvoor kiest. De vorige regering heeft ervoor gekozen het probleem op te lossen

door de eindtoets, die als dit wetsvoorstel wordt aangenomen voortaan "doorstroomtoets" gaat heten, naar voren te halen, van april/mei naar de eerste helft van februari, dit om een centraal aanmeldmoment in maart mogelijk te maken. Wat ons betreft — we hebben dit ook al van andere fracties gehoord — zou het juist beter zijn geweest om het schooladvies later te geven, dus de doorstroomtoets ook later te houden en daarmee een later centraal aanmeldmoment mogelijk te maken. Een later aanmeldmoment beperkt het verlies aan effectieve onderwijstijd in groep 8 en vooral stelt het de in Nederland zo extreem vroege selectie nog even uit en vergroot het daarmee de kansengelijkheid. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Hoe gaat hij wat dat betreft uitvoering geven aan de in de Tweede Kamer aangenomen motie van Van Meenen, Bisschop en De Hoop die vraagt om een zo laat mogelijk centraal aanmeldmoment? Die motie, die breed is aangenomen, staat eigenlijk in een heel gekke verhouding tot het wetsvoorstel; ze gaat er eigenlijk tegen in. Hoe gaat de minister daarmee om? Daar zijn wij erg benieuwd naar, dus graag een reactie.

Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 16-17

Minister Wiersma:

Waarom kan het centrale aanmeldmoment dan niet later in het jaar, vraagt de heer Van Apeldoorn. Het centrale aanmeldmoment vindt plaats in de laatste week voor 1 april. Het onderzoeksbureau dat ik al noemde, Oberon, heeft een analyse uitgevoerd naar de wenselijkheid van een centraal aanmeldmoment en wat dan de geschikte tijd is. Een later aanmeldmoment zorgt voor een aantal problemen zoals wij zagen. Eén: de brugklasindeling en het opstellen van het formatieplan komt niet altijd rond. Twee: er is geen ruimte meer voor een eventueel lotingsproces. Drie: er is ook geen ruimte meer voor het ophalen van een onderwijskundig rapport. En vier: de warme overdracht in de

besluitvorming rond de plaatsing van leerlingen kan niet meer goed plaatsvinden. Een later aanmeldmoment zorgt ervoor dat ouders en leerlingen pas in de zomervakantie uitsluitsel krijgen over de vo-school waar het kind naartoe gaat. De vraag is überhaupt of dat ook voor die vo-school de beste manier is om zich voor te bereiden op nieuwe leerlingen.

De vraag die daarbij hoort, is die van de heer Pijlman van D66: hoe groot is de kans dat de periode na de toets niet optimaal wordt benut? En gaat de inspectie daar toezicht

op houden? De naam "doorstroomtoets" geeft aan dat het moment waarop de toets wordt afgenomen, niet het eindpunt is van de ontwikkeling. Zowel in de maanden na de

eindtoets in groep acht alsook in het voortgezet onderwijszijn er nog heel veel kansen om je te ontwikkelen. Onderzoek dat wij eerder hebben laten doen, bijvoorbeeld door

het Kohnstamm Instituut, wijst uit dat het eerder afnemen van de eindtoets geen effect heeft op de effectieve onderwijstijd van leerlingen. Onderwijsprofessionals hebben dat

zelf ook aangegeven. Ze zien het ook als hun kerntaak om de beste voorbereiding te bieden op het voortgezet onderwijs. Dit geeft soms juist wat meer ruimte om het goed te

doen. Dan kun je een en ander nog beter afstemmen op wat nodig is daarna, in het voortgezet onderwijs. Ik vind het wel belangrijk dat de inspectie ook toezicht gaat houden

op de kwaliteit van het onderwijs dat leerlingen daarna ontvangen, dat we het moment na afname van de eindtoets expliciet gaan bekijken, monitoren en in de evaluatie meenemen.

(…)

De heer Van Apeldoorn (SP):

Mijn vraag was waarom het centrale aanmeldmoment niet later kan. Die vraag leefde overigens ook bij de fracties van GroenLinks, PvdA en D66. Daarop zegt de minister dat het is onderzocht en dat het tot allerlei problemen zou hebben geleid. De problemen die de minister schetst, ken ik. Althans ik heb er eerder kennis van genomen dat dat zo gezien wordt, maar dat wordt vooral zo gezien door de vo-scholen. Het primair onderwijs ziet dat anders. Het zijn problemen die te maken hebben met de warme overdracht, die geregeld moet worden, met formatie et cetera. Op zich kan ik daarin komen, maar ik ben ook van de school dat problemen er zijn om opgelost te worden. Als er goede argumenten zijn om dat aanmeldmoment en daarmee ook de toets wat later te plannen, dan zou je toch kunnen kijken of we die problemen kunnen oplossen? Er is volgens mij in de Tweede Kamer ook gewisseld dat dat voor heel veel voscholen niet zo'n probleem is, dat ze niet al in maart, eind maart of voor 1 april moet weten hoe dat zit met die plaatsing. Dus daar gaat het goed. In het verleden is het aanmeldmoment ook weleens later geweest. Heeft de regering ook overwogen om te kijken of zij de problemen die misschien gekoppeld zijn aan een later aanmeldmoment, toch kan oplossen om het toch te realiseren?

Minister Wiersma:

Ja, dat hebben we overwogen. Dat is bekeken in dat onderzoek van Oberon. Ik noemde al de problemen die daaruit naar voren kwamen. Dat zijn geen problemen die het ministerie heeft bedacht, maar die heel nadrukkelijk vanuit de scholen komen. Maar er is ook eerder een onderzoek geweest van het Kohnstamm Instituut naar het effect als je dat eerder doet, ook daarna op de motivatie van leerlingen. Ik vind dit wel een punt om mee te nemen, omdat de Kamer daar zelf om verzocht heeft, maar ik hecht eraan om te zeggen dat we die discussie uit elkaar moeten trekken. Aan de ene kant zet dit wetsvoorstel een datum neer waar er op dit moment, in de huidige praktijk, geen datum is. Voor 80% van de scholen is 1 april al een later aanmeldmoment. Heel veel scholen zitten ruim daarvoor, soms al januari, februari. Door nu een punt in de wet te markeren, verbeteren we voor heel veel leerlingen dat moment al. Het is dus niet zo dat we dat aanmeldpunt niet naar achteren willen schuiven. We schuiven dat naar achteren als je het vergelijkt met de huidige praktijk. Dat is belangrijk om ons te realiseren.

Daarnaast vraagt de Kamer: is dat maximaal of kan je daar nog iets aan toevoegen? Dat verzoek volg ik op. Dat verzoek volg ik overigens op om twee redenen, ook omdat dit

wetsvoorstel qua toetsing pas in 2024 effect gaat hebben op de leerlingen. De komende twee jaar moeten we het met de huidige wetgeving doen en zullen we ons moeten

inspannen om dat aanmeldmoment zo laat mogelijk te maken. We hebben daarvoor vanuit het ministerie materiaal ontwikkeld. Er is informatiemateriaal en advies voor scholen. We staan er echt voor, ook in de richting van scholen, om dat zo laat mogelijk te doen. Maar we zijn een beetje gemankeerd doordat we in de wetgeving geen heel duidelijk moment hebben gemarkeerd. Dat doen we met dit wetsvoorstel wel. Je kunt natuurlijk nog van mening zijn dat het nog verder in de tijd zou moeten zijn. Dan kwamen we op gespannen voet met de praktische implicaties, wat we ook in het onderzoek vonden. Je kunt dan nog een tijdje wachten met de inwerkingtreding, of het op deze manier doen en dit punt heel nadrukkelijk meenemen, ook in de evaluatie. Dat laatste is het voorstel van het kabinet.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik hoor het antwoord van de minister, maar het gaat om twee verschillende punten. Het gaat om het aanmeldmoment. Als we dit wetsvoorstel hier aannemen, dan komt dat in de wet vast te liggen. Het gaat natuurlijk ook om de doorstroomtoets. Die onderwerpen hangen natuurlijk met elkaar samen. Die toets wordt nu ook gepland in een bepaalde week, in de tweede helft van februari. Dat ligt ook vast. Nou is er al vaker gesproken over dat onderzoek. Wat heeft het voor effect als je die toets vroeger of later afneemt? Maar is er ook gekeken wat het effect op leerlingen is? Volgens mij is het namelijk heel erg logisch dat er toch een zekere spanning van iedereen af valt wanneer je die toets gehad hebt en dat er dan een bepaalde prikkel wegvalt. Wat heeft dat voor effecten wat betreft de effectieve onderzoekstijd?

De minister noemde het volgende net al even. Er ligt een uitspraak van de Tweede Kamer om het centrale aanmeldmoment zo laat mogelijk te zetten. De minister zegt: dat gaan we onderzoeken. Is de uitspraak dat dat onderzocht wordt de manier waarop de minister uitvoering wil geven aan die motie? Wat kunnen we op dat punt concreet verwachten? Achter die motie is de boodschap dat de Tweede Kamer dat centrale aanmeldmoment nu niet ideaal vindt toch eigenlijk duidelijk. Ik sluit me daar vanuit de Eerste Kamer namens mijn fractie bij aan. Wat ons betreft had het beter later gekund.

Minister Wiersma:

De heer Van Apeldoorn noemde zelf in zijn bijdrage ook al dat je zou kunnen zeggen dat er een soort dubbele boodschap zit in die motie en het wetsvoorstel. Tegelijkertijd is die dubbele boodschap er deels wel en deels ook niet. Ik zeg eerlijk dat de motie voor mij niet duidelijk was. Ik was niet bij de indiening. Daarna heb ik de motie natuurlijk wel gelezen. Ging de motie over de periode tot het nieuwe wetsvoorstel, of juist over de periode vanaf het nieuwe voorstel, of over beide periodes? Wij hebben de motie geïnterpreteerd als de uitdaging om ons in beide periodes hiervoor in te spannen. Dat betekent nu, in de huidige manier van toetsen ... Daar hebben we bijvoorbeeld ook een infographic voor gemaakt. We hebben daar heel nadrukkelijk met vo-scholen over gesproken. We hebben er in communicatie aandacht voor gevraagd. We kijken ernaar. We bespreken met de schoolleiders en met nog een aantal organisaties de mogelijkheid om de komende twee

jaar conform die motie te handelen.

Daarnaast staat in dit wetsvoorstel een datum die later is dan de datum die er in 80% van de staande praktijk is. Daarmee komt het wetsvoorstel in die zin tegemoet aan de wens van die motie. Maar ik hoor ook de zorgen over de vraag wat dit zo meteen betekent voor de motivatie. De organisatie zou eigenlijk een ondergeschikte reden moeten zijn in het kiezen van het moment. Het gaat eigenlijk om de kwaliteit en de motivatie. Die zorgen begrijp ik. Wij hebben die hier ondervangen, omdat het eigenlijk al een verbetering

is ten opzichte van de huidige situatie. Wij baseren die motivatieaspecten op dat Kohnstammonderzoek. Wij zeggen ook dat dat niet een gegeven is. Je moet dat wel bekijken. Ik zou hier nadrukkelijk willen toezeggen dat wij opnieuw, via een onderzoek, inzicht zullen krijgen in het antwoord op de vraag wat zo'n aanmeldmoment doet voor de motivatie. Dat zou een basis kunnen zijn om met elkaar te zeggen: dat betekent dat we daarin iets moeten aanpassen. Maar daarvoor zullen we weer meer onderzoek in die richting moeten doen. Dat gaan wij wel nadrukkelijk in de gaten houden. Ik vind dat een relevant punt, omdat het conform een motie van de Tweede Kamer is, maar ook omdat ik niet hoop dat het in de praktijk zo uitpakt. Als onderzoek zegt dat het allemaal wel zal meevallen, vind ik het wel iets om de vinger bij aan de pols te houden. Dat laat onverlet dat dit in 80% van de gevallen echt een grove verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. In die zin is dit wetsvoorstel dus een goede stap om die verdere discussie te

voeren.

(…)

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dank voor de toezegging. Ik denk dat het goed is dat de minister dat blijft monitoren. Daarmee kunnen we misschien straks opnieuw kijken naar de discussie over wat nu

eigenlijk het beste is en over dat centrale aanmeldmoment. Die discussie is dus niet beëindigd als we dit wetsvoorstel hier straks aannemen.

Handelingen I 2021-2022, nr. 15, item 5, blz. 18-19

Mevrouw Fiers (PvdA):

Ja, goed zo, voorzitter. Nog even naar aanleiding van de zorgpunten die geuit zijn over het toetsmoment dat naar 1 april gaat. Dat is het moment dat de leerlingen achterover

kunnen gaan hangen. We komen nu bij een tijdskwestie: wanneer wordt het ingevoerd? Vervolgens gaan we het evalueren. Tien jaar later komen we er misschien achter dat het inderdaad zo was. Ik ben er op zoek naar of de minister daar al over heeft nagedacht. Er werd net gezegd dat geprobeerd wordt om alle scholen zo dicht mogelijk naar 1 april te trekken, want dan hebben we dat de wereld alvast uit. Daar worden infographics voor gemaakt en allerlei reclamecampagnes. Is er ook actie richting de scholen om te kijken of dit een risico is? Door meerdere mensen wordt aangegeven dat zij zich zorgen maken over dat moment. Is de minister met de scholen aan het kijken of we iets van elkaar kunnen leren? Wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat dit risico niet optreedt? We kunnen gaan evalueren, maar het is een beetje zonde om er pas naderhand achter te komen. Misschien kun je ook preventief iets doen.

Minister Wiersma:

Zo hebben we de aanmoediging van de Kamer ook wel opgevat. We hebben al een aantal stappen gezet. Ik noemde eerder al het kansrijk adviseren. Dat is zo'n voorbeeld dat

wij proberen met handreikingen aan scholen en docenten die hiermee te maken hebben, maar ook aan ouders die ook moeten weten op welke manier dat advies loopt. We

proberen dat heel nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Dat is ook de boodschap van de motie: doe dat aanmeldmoment zo laat mogelijk. Dat is een nadrukkelijke oproep. Die doe ik ook hier. We reiken allerlei materialen aan om dat te doen. Deze boodschap hebben wij op allerlei manieren gedeeld. Met de PO-Raad, VO-raad, het Lerarencollectief, de schoolleiders: met deze partijen hebben we die boodschap opgepakt. We gaan nu kijken of het goed landt. Die vraag begrijp ik goed, want het is een terecht punt. We gaan tegen de zomer bezien of het voor het schooljaar hierna mogelijk is om in aanloop naar de inwerkingtreding van het centrale aanmeldmoment scholen al hiermee te laten werken. Dan anticipeer je alvast, zoals de heer Pijlman bijna suggereert, op het aanmeldmoment van 1 april. Dan komt die 80% weer terug, waar dit een verbetering voor is. Ik probeer er dus nadrukkelijk op te anticiperen, om maar even een voorschot te nemen op de

formele vraag die ik in tweede termijn nog ga beantwoorden. Dit helpt al, denk ik

Mevrouw Fiers (PvdA):

Misschien ben ik niet helemaal duidelijk geweest met mijn eerste vraag. Ik snap het stimuleren en het delen van kennis op weg naar 1 april. Maar de zorg is ook dat als het advies er ligt, in die laatste periode alleen nog maar de schoolmusical centraal staat en er verder weinig gebeurt. Die docenten zijn uiteraard gemotiveerd om er nog van alles van te maken, maar de leerlingen misschien wat minder. De vraag is of er wordt nagedacht wat we kunnen doen, het onderwijsveld met al die creatieve docenten voorop, om ervoor te zorgen dat die periode niet wegvalt. Ik ben met name op zoek naar die periode na 1 april.

Minister Wiersma:

Helder. Dank voor deze verduidelijking. Ik moet mijzelf nu ook gaan verduidelijken, vrees ik, want ik heb eerder bedoeld te zeggen dat wij heel nadrukkelijk op dit punt opnieuw dat type onderzoek willen doen. Er is eerder onderzoek gedaan door bijvoorbeeld Kohnstamm. Daarbij gaat het erom, te kijken wat de huidige praktijk doet voor de motivatie van leerlingen en wat een later moment doet voor de motivatie van leerlingen. Ook willen we weten wat we anders moeten doen, of wat we meer moeten meegeven aan het onderwijs om dat te garanderen. Ik wil dat heel nadrukkelijk meegeven. Dat is dus een toezegging — ik meende dat ik die net deed, maar misschien heb ik dat niet duidelijk genoeg gemaakt — om daar opnieuw onderzoek naar te doen, dit mee te nemen en het te monitoren, zodat we kunnen bijhouden wat de effecten zijn. Naast de inzichten waarop we dit wetsvoorstel hebben gebaseerd, verwerven we ook weer nieuwe inzichten.

Mevrouw Fiers (PvdA):

Communiceren blijft heel lastig, hè? Mijn pleidooi was eigenlijk: dat kunnen we onderzoeken. Misschien duurt het ook wel tot 2027 voordat we een antwoord hebben. Met

een beetje gezond boerenverstand weten we misschien ook wel dat dit aan de orde is. Het pleidooi is dan om te kijken of daar sneller, tegelijk met de invoering, al slimme dingen over gezegd kunnen worden.

Minister Wiersma:

Die wens snap ik, maar dan doe ik één stap terug, zeg ik tegen mevrouw Fiers. Dat is natuurlijk waarom we ons in dit wetsvoorstel baseren op onderzoek, precies op dit punt,

bijvoorbeeld van het Kohnstamm Instituut. Een aantal Kamerleden zeggen: ja, maar is dat nou wel helemaal waar? Eén onderzoek maakt ook geen zomer. Hoe pakt het zo meteen in de praktijk uit? Ik ben ervan overtuigd, als we de onderzoeken die we hebben gedaan, zoals dat van het Kohnstamm Instituut, ertegenaan houden, dat een en ander geen afbreuk doet aan de motivatie van leerlingen. Het is de onderwijsprofessionals hun eer te na om er niet alles aan te doen om de leerlingen ook na die toets zo goed mogelijk voor te bereiden op het voortgezet onderwijs. Ik merk dat dit wel een beetje vertrouwen in hen vergt. Zij gaan echt niet twee of drie maanden schoolmusicals doen. Als we ze dat de hele dag gaan vertellen, gaan ze het misschien nog doen ook. Laten wij hier dan met elkaar vertellen dat we het zo belangrijk vinden dat je daarna nog een goede voorbereiding doet met je leerlingen voor het vervolg.

Onderzoek laat zien dat het niet ten koste gaat van motivatie. Ik snap de vraag: is dat wel zo? Dat is deels een politieke wens, maar deels ook een zorg. Daarom zeg ik toe om er nog verder onderzoek naar te doen en dat expliciet mee te nemen in hoe we zo meteen deze wet gaan bekijken. Hopelijk kan dat de goedkeuring van mevrouw Fiers wegdragen, voorzitter.


Brondocumenten


Historie

  • 1 februari 2022
    toezegging gedaan