Behandeling Wijziging Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten



Verslag van de vergadering van 5 november 2019 (2019/2020 nr. 5)

Aanvang: 10.03 uur
Status: gerectificeerd


  • Kijk de video van dit deel van de vergadering terug

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen, de Ziektewet en de Wet tegemoetkomingen loondomein, teneinde het deactiveren van de quotumheffing mogelijk te maken en erin te voorzien dat de quotumheffing niet eerder dan over het jaar 2022 wordt geheven en enige andere wijzigingen (34956).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 34956, Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen, de Ziektewet en de Wet tegemoetkomingen loondomein, teneinde het deactiveren van de quotumheffing mogelijk te maken en erin te voorzien dat de quotumheffing niet eerder dan over het jaar 2022 wordt geheven en enige andere wijzigingen. Ik heet de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Ester.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Dank u wel. De context van dit wetsvoorstel is pijnlijk. De overheid slaagt er maar niet in om in de publieke sector het aantal nieuwe banen voor personen met een arbeidsbeperking — zoals overeengekomen in het sociaal akkoord van 2013 — te realiseren. De marktsector lukt het wel om de banenafspraken na te komen. Ruimschoots zelfs. De overheidssector presteert verhoudingsgewijs onder de maat. Dit is pijnlijk, omdat de groep van arbeidsgehandicapten kwetsbaar is en gebaat is bij overheidswerkgevers die voor hen een plek op de arbeidsmarkt vrijmaken. Als we grote woorden spreken over een inclusieve arbeidsmarkt, dan past daar niet bij dat de overheid de gemaakte banenafspraken niet inlost voor de eigen sector.

De afspraak in het sociaal akkoord was dat eind 2025 de marktsector 100.000 nieuwe banen en de overheidssector 25.000 banen voor mensen met een arbeidsbeperking gerealiseerd zou hebben. Dat is een mooie ambitieuze doelstelling voor mensen die het op eigen kracht vaak niet lukt om een reguliere baan te vinden. Indien we de cijfers op een rij zetten dan blijkt dat de marktwerkgevers de jaarlijkse targets steeds wel en de overheidswerkgevers de jaarlijkse targets steeds niet halen. Dat geldt voor dit kabinet en dat gold ook voor het vorige kabinet. We kunnen twisten over bijvoeglijke naamwoorden, maar termen als "beschamend", "gênant" en "grievend" dringen zich op. En ja, misschien was de specifieke doelstelling voor de overheidssector te ambitieus en ja, de marktsector had wat meer tijd om de aantallen nieuwe banen te realiseren, maar deze contra-argumenten zijn in het licht van de substantiële verschillen niet echt sterk.

Er is inmiddels het nodige onderzoek uitgezet en mijn fractie wil de staatssecretaris vragen wat nu haar conclusie is. Is de bestuurskracht van de overheidssector minder dan de daadkracht van de marktsector? Waarom presteert de marktsector gewoon beter als het gaat om nieuwe banen voor arbeidsgehandicapten? Is de markt beter toegerust voor sociaal ondernemerschap dan de overheid? Of heeft het iets te maken met verschillen in organisatiecultuur tussen de overheids- en de marktsector? Wat kunnen overheidswerkgevers leren van hun collega's in de marktsector om mensen met een arbeidsbeperking aan een reguliere en volwaardige baan te helpen? Dat zijn veel vragen, fundamentele vragen ook, die ons moeten helpen om effectiever arbeidsmarktbeleid te doordenken.

De ChristenUnie-fractie heeft behoefte aan een steviger analyse door de staatssecretaris van de "onderprestatie" van de overheid. Niet om te zwartepieten, maar om de kwetsbare groep van mensen met een arbeidsbeperking perspectief te bieden. Als we weten wat we niet goed doen, kunnen we gerichte beleidsinstrumenten ontwerpen die meer effect sorteren. Er gaat een wrang maatschappelijk signaal uit van een overheid die zichzelf een regisserende rol toekent om arbeidsgehandicapten aan een baan te helpen, maar die de eigen streefcijfers niet haalt. Dat moet toch tot bitterheid en frustratie bij de doelgroep leiden? De overheid is hoedster van de zwakken, heeft een voorbeeldfunctie, en dat geldt zeker voor personen met een arbeidsbeperking. We weten hoe belangrijk een volwaardige baan voor arbeidsbeperkten is: het draagt bij aan een positief zelfbeeld, aan het besef volwaardig mee te doen en je eigen brood te kunnen verdienen, en aan het vergroten van hun sociaal kapitaal.

Overigens zien we — als ik het goed lees — dat de prestaties van de overheid recent zijn verbeterd, hoewel ze nog steeds achterblijven bij de overeengekomen doelstelling. Wat is de verklaring voor deze stijging? Heeft dat te maken met de huidige krapte op de arbeidsmarkt? Graag een reactie.

De vigerende regelgeving voorziet in een quotumheffing — wat een afschuwelijk woord is dat toch, voorzitter — waarmee werkgevers worden aangeslagen indien ze niet het vereiste quotum van arbeidsplaatsen voor de doelgroep behalen. Voor de overheidssector zou dat neerkomen op een heffing voor vorig jaar, omgerekend van om en nabij de €5.000 per niet ingevulde arbeidsplaats op basis van een quotumpercentage van bijna 2%. De staatssecretaris vraagt met dit wetsontwerp om de overheidssector eenmalig te ontzien en de quotumheffing nu niet te activeren. Dit in het verlengde van het besluit van het vorige kabinet. Dat roept onmiddellijk de vraag op — de Raad van State ging ons daarin voor — welk psychologisch effect de regering nu precies van deze maatregel verwacht. Wat is nu eigenlijk de meerwaarde? In de ogen van de ChristenUniefractie moet het nu echt menens zijn met het arbeidsmarktbeleid voor mensen met een arbeidsbeperking. Hoe past het "on hold" zetten van deze sanctie hierbij? Is het meer dan een geste naar overheidswerkgevers? Hoe past dit in de weinig verheffende beeldvorming van een overheid die steken laat vallen op de arbeidsmarkt en vervolgens onder de overeengekomen sanctie wil uitkomen?

Gelukkig laat de staatssecretaris het hier niet bij maar komt zij met een pakket van afspraken en aanvullende maatregelen die de broodnodige inhaalslag door overheidswerkgevers moeten aanjagen. Ook — en dat moet worden onderstreept — blijven de jaarlijks te realiseren banen in het kader van het sociaal akkoord onverkort gelden. Er wordt dus niet getornd aan de kwantitatieve banenafspraken. Deze twee constateringen zijn voor mijn fractie belangrijk in ons finale oordeel over dit wetsvoorstel.

De ChristenUniefractie is blij dat de staatssecretaris het er niet bij laat zitten dat de overheid er niet in slaagt de banenafspraken voor mensen met een arbeidsbeperking na te komen. Ze is met elan aan de slag gegaan om ook de eigen sector stevig op te schudden. Ze laat zien dat het begrip inclusieve arbeidsmarkt voor haar geen lege huls is. Althans, zo begrijpen wij dat toch. De staatssecretaris heeft een wat zij noemt Breed Offensief gelanceerd waarmee zij de publieke sector scherper in de wedstrijd zet om banen te creëren voor arbeidsgehandicapten. Eerder dit jaar werd een bestuurlijk akkoord gesloten waarin overheidssectoren hun commitment bevestigen rond de banenafspraak. Er werden werkagenda's ontwikkeld voor overheidswerkgevers. Er werden verantwoordingsregels vastgelegd. Er werden plannen per ministerie opgesteld. Het Team Inclusief — dat vind ik dan wel weer een mooi woord — ging van start, dat werkgevers helpt bij de werving van mensen uit de doelgroep banenafspraak. De kennisinfrastructuur voor werkgevers werd aangescherpt en hun ondersteuning werd verbeterd. Specifiek voor de onderwijssector is het project Baanbrekers gestart dat zich richt op de instroom van mensen uit de doelgroep banenafspraak. Daarnaast, zo begrijpen wij, worden er stappen gezet om de bestaande regeling voor werkgevers minder complex te maken, worden de inleenregels gestroomlijnd en wordt een bonus-malusregeling ontworpen die aantrekkelijker is dan de sanctiemaatregel die nu geldt.

Mijn fractie is verheugd over deze energieke aanpak. Of het genoeg is om de stelselmatig achterblijvende prestaties van de overheid op te krikken, zal moeten blijken uit de cijfers over 2019. Mijn fractie hoort graag wat de ervaringen geweest zijn in het afgelopen halfjaar. Denkt de staatssecretaris met dit Breed Offensief de overheid weer recht in het spoor te krijgen wat betreft de banenafspraak? Is het genoeg om het geldende streefcijfer van 25.000 nieuwe banen alsnog te halen? Tot welke nieuwe wetgeving zal dit offensief leiden?

De overheid, zo blijkt, wil de onderscheiden targets voor markt- en publieke sector laten vallen en sturen op het overall streefcijfer van 125.000 banen. Dit mede naar aanleiding van de Tweede Kamermotie-Nijkerken-De Haan c.s. Mijn fractie begrijpt de onderliggende redenering — zo is er veel overloop tussen beide sectoren — maar vraagt toch om een betere onderbouwing. Is het wel verstandig om halverwege de rit de spelregels te veranderen? Moeten we juist omdat de overheid onderpresteert, de targets voor de sector niet gewoon handhaven? Troebleert het veranderen van de spelregels niet de dwingendheid van de zelfregie door de overheid in de publieke sector? Ik neem aan dat de staatssecretaris wel zal blijven rapporteren over de take-up van de banenafspraak door de overheidssector. Ik zou daar graag een toezegging over krijgen. De motie-Van Dijk/Van Dijk verzoekt daar ook nadrukkelijk om.

Voorzitter, ik sluit af. De ChristenUniefractie is zeer teleurgesteld dat de overheid de banenafspraak rond kwetsbare groepen mensen met een arbeidshandicap niet weet te realiseren. De overheid moet vooroplopen, niet achteraan. Maar mijn fractie is blij met de gedrevenheid van de staatssecretaris om daarin verandering te brengen. Of deze inhaalslag voldoende effectief zal zijn om te rechtvaardigen dat de quotumheffing eenmalig wordt uitgesteld, zal moeten blijken uit de antwoorden van de staatssecretaris op onze vragen. Ik zie daarnaar uit.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Sent.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Sent (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Graag laat ik u weten dat ik vandaag het voorrecht heb om namens de fracties van de PvdA én GroenLinks het woord te mogen voeren.

Iedereen verdient de kans om aan het werk te komen. Want werk zorgt voor zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en levert een bijdrage aan de economie alsmede de sociale cohesie. Maar niet iedereen krijgt die kans om aan het werk te komen. Zo is de arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking laag. De PvdA en GroenLinks zijn een warm voorstander van een meer inclusieve arbeidsmarkt. Deze levert volgens onze partijen een belangrijke bijdrage aan een betere en rechtvaardigere samenleving.

Los daarvan betekent het voor de doelgroep heel veel om gewoon mee te kunnen en mogen doen. Daarom steunden onze fracties de banenafspraak uit het sociaal akkoord van 11 april 2013. In dat akkoord hebben het toenmalige kabinet en de sociale partners de afspraak gemaakt 125.000 nieuwe banen te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Werkgevers in de marktsector hebben zich garant gesteld voor 100.000 extra banen; overheidswerkgevers voor 25.000. Maar juist de overheidswerkgevers blijken deze belofte nog niet waar te kunnen maken. De PvdA en GroenLinks betreuren dit ten zeerste.

Voorzitter. Vandaag bespreken wij het voorstel om de overheidssector de tijd te geven een inhaalslag te maken om alsnog het aantal afgesproken banen voor mensen met een arbeidsbeperking te realiseren. Met de Raad van State merken onze fracties op dat de aanpassingen er niet op gericht zijn om de overheid ertoe te brengen thans op korte termijn alsnog aan haar verplichtingen in het kader van de banenafspraak te voldoen, maar met name om de overheid zelf opnieuw uitstel te geven voor het nakomen van die verplichting. Zoals gezegd, stelt dit ons teleur.

Met de Raad van State wijzen de fracties van de PvdA en GroenLinks erop dat de eerder aangebrachte ingrijpende aanpassingen van de Wet banenafspraak en quotumheffing het halen van de beoogde aantallen reeds aanzienlijk hebben vereenvoudigd, waardoor het activeren van de quotumheffing al minder snel in beeld komt. En dan nog blijven de overheidswerkgevers achter. Daarom leg ik net als de Raad van State de vraag voor aan de staatssecretaris welke functie de Wet banenafspraak en quotumheffing nog heeft na de reeds doorgevoerde aanpassingen en het voorliggende wetsvoorstel. Het effect op de geloofwaardigheid van de wet in het algemeen en dat van de overheid in het bijzonder baart ons ernstige zorgen.

Voorzitter. De overheidssector moet het hoge ambitieniveau uit het sociaal akkoord gewoon waarmaken, zo menen de PvdA en GroenLinks. Haar voorbeeldfunctie staat ernstig onder druk als gevolg van de achterblijvende prestaties. Daarom vraag ik de staatssecretaris welke maatregelen worden genomen opdat de overheid alsnog aan haar verplichtingen in het kader van de banenafspraak zal voldoen. En waarop baseert zij haar vertrouwen dat het ambitieniveau daarmee wel zal worden waargemaakt? De Raad van State adviseert om te komen tot een hernieuwde brede doordenking van de wijze waarop een meer inclusieve arbeidsmarkt voor mensen met een arbeidsbeperking het beste kan worden bewerkstelligd. En een aantal weken geleden concludeerde het Sociaal en Cultureel Planbureau dat werkgevers zich te weinig inzetten voor een inclusieve arbeidsmarkt. Terwijl 70% van de werkgevers zich volgens het SCP verantwoordelijk voelt voor mensen met een arbeidsbeperking, heeft slechts 11% in de afgelopen twee jaar iemand aangenomen.

Graag verneem ik welke voorstellen onze fracties van de staatssecretaris mogen verwachten om het gapende gat tussen woord en daad bij werkgevers te dichten. Zo zijn veel bedrijven niet bekend met subsidieregelingen. Bijna de helft van de werkgevers weet niets over een korting op of vrijstelling van premies voor sociale verzekeringen bij mensen met een arbeidsbeperking, zo schrijft het SCP.

Ten slotte vraag ik graag aandacht voor een onbedoeld neveneffect van de Wet arbeidsmarkt in balans voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Immers, deze dreigen te duur te worden en zonder werk te komen. Waar arbeidskrachten die werkzaam zijn in de sociale werkvoorziening worden uitgezonderd van het payrollregime, geldt deze uitzondering niet voor arbeidskrachten uit de doelgroep banenafspraak en nieuw beschut werk. Zoals de ChristenUnie het treffend verwoordt in de schriftelijke vragen hierover: "Dit geeft de indruk van halfbakken beleid."

Deelt de staatssecretaris deze analyse? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat mogen wij op dit terrein van haar verwachten? Voor alle duidelijkheid, de PvdA en GroenLinks zijn een groot voorstander van goede arbeidsvoorwaarden voor iedereen, dus ook voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Voorzitter. Graag sta ik kort stil bij het voornemen van de regering om te komen tot een vereenvoudiging van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Deze houdt in dat er een nieuwe banenafspraak komt voor alle werkgevers in Nederland, zodat samenhang meer gestimuleerd wordt. Het wordt daarom niet langer relevant geacht om bij te houden wie in welke sector werkt. In dit geval is het niet langer mogelijk om in kaart te brengen welke sectoren achterblijven en wat hiervoor de redenen zijn. Dit nodigt naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie uit tot freeridersgedrag: een overheidssector kan haar verantwoordelijkheid afwentelen op de markt en vice versa. Erkent de staatssecretaris dit probleem? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke oplossing draagt zij hiervoor aan?

De brief inzake de vereenvoudiging banenafspraak en quotumregeling bevat de toezegging om met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bekijken welke mogelijkheden er zijn om overheidswerkgevers te stimuleren — en dus niet te verplichten — ook zelf reguliere banen te blijven realiseren. Maar welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris dan? En begrijp ik hieruit dat overheidswerkgevers niet langer verplicht worden zelf reguliere banen te blijven realiseren? Zo ja, dan komt naar de mening van onze fracties de eerdergenoemde voorbeeldfunctie van de overheid nog verder onder druk te staan. Dat betreuren de PvdA en GroenLinks zeer.

Ik rond af. De fracties van de PvdA en GroenLinks zagen de Wet banenafspraak en quotumheffing als een belangrijke stap richting een inclusief en activerend arbeidsmarktbeleid. Het voorliggende wetsvoorstel is naar onze mening juist een stap in de verkeerde richting. Wij staan er uiteraard voor open om door de staatssecretaris van het tegendeel overtuigd te worden en kijken daarom met belangstelling uit naar haar antwoorden.

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb met aandacht geluisterd naar uw verhaal. Ik deel de teleurstelling over het niet halen van de afspraken. Heeft mevrouw Sent zelf enige verklaring van hoe het nou komt dat die overheidswerkgevers zoveel slechter zijn in het behalen van die banenafspraken dan de marktsector? Is dat een verschil in cultuur? Is dat een verschil in aansturing? Is dat een verschil in motivatie? Zijn er andere redenen? Die vraag blijft toch een beetje overeind. Dat geldt voor dit kabinet, dat gold — met alle respect — ook voor het vorige kabinet. Dat haalde die targets ook niet. Heeft u daar een beeld bij? Heeft u daar een verklaring voor?

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat is een heel goede vraag. Ik ben niet zozeer geïnteresseerd in verklaringen waarom het niet lukt. Ik vind het echt onbestaanbaar dát het niet is gelukt. Ik had liever gezien dat daar alle energie op was gezet in plaats van de overheidssector te beloven dat er een uitstel komt van de quotumheffing, zoals in het voorliggende wetsvoorstel.

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik kan me niet indenken dat mevrouw Sent tevreden is met haar eigen antwoord. Ik denk dat wij heel veel kunnen leren van hoe het nou komt dat de ene sector wel en de andere niet de targets haalt. Dat we die targets moeten halen, daar zijn we het over eens, maar hoe kunnen we nou die overheid veel sterker in de wedstrijd zetten? Het is pijnlijk. U constateert terecht dat de overheid daar niet in slaagt, maar wij willen natuurlijk wel weten waar dat aan ligt, om andere beleidsinstrumenten scherper te kunnen inzetten.

Mevrouw Sent (PvdA):

Volgens mij is die vraag niet eenvoudig te beantwoorden. Daarom vind ik het ook zorgwekkend dat de staatssecretaris nu een groot aantal maatregelen belooft waarmee de overheidssector het wel zou behalen. Ik ben er niet van overtuigd dat het met die maatregelen wel gebeurt. Ik ben ervan overtuigd dat je een wortel en een stok moet gebruiken. In dit geval moet de stok worden ingezet. Ik vind het niet te begrijpen dat dat niet gebeurt.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Stienen heeft het woord.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Stienen (D66):

Voorzitter. Ik kijk even naar de tijd. De naam van de wet die voorligt, past helaas niet in het plan van het kabinet voor helder taalgebruik en de ambities van de Direct Duidelijk-campagne. Het is een echte tongbreker. Voor het gemak en het begrip zal ik het in mijn inbreng namens de D66-fractie hebben over de Wet deactivering van de quotumheffing.

Voorzitter. Voor D66 is een inclusieve arbeidsmarkt absoluut een prioriteit die voortkomt uit onze Grondwet, onder andere artikel 1, en onze internationale verplichtingen zoals het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De vorige sprekers hebben ook gesproken over het belang voor mensen met een beperking en voor onze samenleving als geheel. Daar sluit ik mij namens D66-fractie graag bij aan. Want wij vinden dat iedereen een kans moet krijgen om bij te dragen aan onze samenleving in een werkomgeving, vanuit hun eigen talent en mogelijkheden.

Voor ons geldt dat ook voor mensen die een afstand hebben tot de arbeidsmarkt, door bijvoorbeeld een arbeidsbeperking, en die daarom extra hulp en begeleiding nodig hebben. We willen ook dat dit op een duurzame manier gebeurt, zodat mensen langere tijd in een baan kunnen blijven werken of op een goede manier kunnen overstappen. Uiteraard begrijpt mijn fractie dat dit streven flink wat vraagt van de werknemers met een beperking en van de werkgevers op het gebied van flexibiliteit, kennis en doorzettingsvermogen. We zien dat het bedrijfsleven daar veel meer succes in heeft geboekt dan de overheid. Over het achterblijven van de overheid heeft mijn fractie grote zorgen. Daar kom ik later in mijn inbreng nog op terug.

Voorzitter. Uit de Monitor Arbeidsmarkt van april 2019 blijkt dat de arbeidsparticipatie van arbeidsgehandicapten uitgaand van de meest recente cijfers neerkomt op 66%. Dat is nog steeds 15 procentpunt lager dan de gemiddelde arbeidsdeelname van alle personen tussen 15 en 64 jaar met een arbeidsvermogen, van 81%. Op basis van de gegevens van het CBS waren er in 2014 1.541.000 arbeidsgehandicapten in de beroeps- en niet-beroepsbevolking. Daarvan hadden er toen 540.000 een baan. Voor D66 is het niet duidelijk welke cijfers uit welk jaar nu gebruikt worden als nulmeting. Zou de staatssecretaris dat willen toelichten? Want dat is wel relevant voor de weging van het uiteindelijke resultaat van de banenafspraak om in 2025 125.000 banen voor arbeidsbeperkten te realiseren. Vanwaar die 125.000? Zouden we, gezien de cijfers, niet nog ambitieuzer moeten zijn, vragen wij de staatssecretaris.

Voorzitter. Vandaag gaat het om de reparatie van een wettelijke omissie, of zoals de memorie van toelichting bij de Wet deactivering van de quotumheffing zegt: "Een technische wijziging om buiten twijfel te stellen dat een arbeidsbeperkte meetelt voor de banenafspraak en dat de werkgever aanspraak kan maken op de financiële voordelen van de no-riskpolis en loonkostenvoordeel, zolang iemand geregistreerd is voor de banenafspraak en de zogenaamde uitlooptermijn geldt." Ook weer een hele mondvol.

Namens de D66-fractie zie ik dit plenaire debat vooral als een kans om met de staatssecretaris te bespreken hoe de voorliggende wetsaanpassing beter kan bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Wet banenafspraak en of de wijziging voldoende wortel is om de overheid en marktsectoren te blijven stimuleren, zodat de stok achter de deur van de quotumheffing niet nodig is. In de praktijk is gebleken dat het huidige systeem tot belemmeringen leidt voor de werkgever, met name als het gaat over de voorwaarde van registratie van een gecreëerde arbeidsplaats. In andere woorden: wanneer hoort een gecreëerde arbeidsplaats bij de private of de publieke sector? Verder kregen de werkgevers te maken met een ingewikkelde zware inleenadministratie. We begrijpen dat de t+2-regel — ik moest dat echt heel vaak lezen — met deze wetswijziging wordt afgeschaft. Dat wil zeggen, de regel die bepaalt dat iemand niet langer tot de doelgroep van de banenafspraak behoort, telt wel nog mee voor de banenafspraak na het tweede kalenderjaar waarin dat het geval is. Dat is niet zo duidelijk, maar als je het heel vaak leest, begrijp je het. Hierdoor blijven mensen opgenomen in het doelgroepregister. Dit draagt eraan bij dat werknemers uit de doelgroep meer zekerheid krijgen over hun plaatsing op de baan en dit geeft werkgevers meer stimulans te blijven investeren in hun werknemers. Maar hoe wil de staatssecretaris dan resultaten meten? Is er dan helemaal geen beperking meer hoe lang mensen in het doelgroepregister geregistreerd blijven?

Daarnaast vraagt mijn fractie de staatssecretaris hoe het zit met mensen die een arbeidsbeperking krijgen tijdens het werk bij hun vaste werkgever en die na een bepaalde periode van arbeidsongeschiktheid weer bij die werkgever aan de slag willen, ook nu ze een arbeidsbeperking hebben. Tellen deze mensen dan ook mee voor de banenafspraak? Graag een antwoord van de staatssecretaris.

Voorzitter. Mijn fractie zou ook graag van de staatssecretaris in begrijpelijke taal een voorbeeld willen horen van hoe deze deactivering van de quotumheffing nu precies werkt en wat dat betekent voor de uitvoering en handhaving. Anders gezegd: hoe kan de voorliggende wet bijdragen aan een vereenvoudiging van de registratie van arbeidsplaatsen en de inleenadministratie voor arbeidsbeperkten? Zou de staatssecretaris daarbij kort willen meenemen wat het betekent voor het UWV en de Belastingdienst? Want deze organisaties zijn net ingewerkt op het huidige systeem en moeten nu weer omschakelen.

Voorzitter. Uit de resultaten van de banenafspraak 2018 blijkt dat de overheid in 2018 slechts 7.940 van de 125.000 heeft gerealiseerd, terwijl de doelstelling op 12.500 banen lag. De markt daarentegen realiseert 13.017 banen meer dan de 31.000 in de doelstelling van het sociaal akkoord. Inderdaad, D66 wil het bedrijfsleven complimenteren met het behalen van deze doelstelling. Mijn fractie is zeer kritisch op de tegenvallende resultaten bij de overheid. D66 begrijpt de verklaring van de staatssecretaris dat vooropstaat dat iemand met een arbeidsbeperking een baan krijgt. Dat is belangrijker dan waar iemand werkt. We zien ook dat soms banen door de overheid worden gerealiseerd via het inlenen van mensen via bedrijven. Dat kan de juiste toerekening inderdaad onnodig complex maken. Mijn fractie hoort graag van de staatssecretaris hoe zij dit ziet.

Hoe dan ook, dit ontslaat de overheid niet van het geven van het goede voorbeeld van het realiseren van banen voor mensen met een beperking op de arbeidsmarkt. D66 is kritisch, maar we zijn ook blij om te zien dat het kabinet dit erkent en het boetekleed heeft aangetrokken. We zouden graag van de staatssecretaris vernemen welke resultaten inmiddels al geboekt zijn sinds zij in april 2019 een bestuursakkoord heeft gesloten met de overheidswerkgevers en met een breed offensief is gestart. Daarnaast vernemen wij graag hoe zij regionale en lokale overheden ondersteunt en of er aandacht is voor kleinere gemeenten. We zijn het eens met de stelling dat van afstel geen uitstel moet komen. Betekent dit dat de staatssecretaris ervan uitgaat dat in 2020 de overheidswerkgevers wel de doelstellingen moeten kunnen halen? Graag een reactie.

De staatssecretaris heeft inmiddels een inclusiviteitsopslag en een bonus geïntroduceerd. Als we het goed begrijpen, worden werkgevers beloond die banen voor mensen met een arbeidsbeperking hebben gerealiseerd. Geldt dit op gelijke wijze voor de overheid en de markt? Zou de staatssecretaris hier een toelichting op willen geven? Welk tijdschema heeft ze hierbij voor ogen? Mijn fractie wil dan graag weten hoe deze bonus wordt gegeven en geadministreerd in het geval van publiek-private samenwerking of inlenen. Is er met de introductie van deze inclusiviteitsopslag en -bonus mogelijk een nieuw administratief doolhof in de maak? Mijn fractie wil graag een heldere uitleg van de staatssecretaris.

Voorzitter, ik ga afronden. Al met al denkt D66 dat de koers die de staatssecretaris nu inzet, kan werken, maar de streefdatum van 2025 is al dichtbij. Het is belangrijk om daarom goed de vinger aan de pols te houden. Komt de staatssecretaris met een terugkoppeling en een tussentijdse evaluatie naar beide Kamers? Hoe denkt de staatssecretaris met deze wet in de hand te kunnen bijsturen als blijkt dat het pakket aan maatregelen toch niet het gewenste effect heeft en met name de overheid niet de inhaalslag maakt?

Voorzitter. Uiteindelijk is het van belang dat zo veel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking op een goede manier een plek vinden op die inclusieve arbeidsmarkt. Daarom kijkt mijn fractie uit naar de beantwoording van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is nu aan mevrouw Oomen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie heeft niet meegedaan aan de schriftelijke voorbereiding van dit debat. Niet omdat het onderwerp ons of mij koud laat. Nee, in een inclusieve samenleving horen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een plek te hebben op die arbeidsmarkt. Wat wij wel hebben gedaan, is de discussie over de consequenties van de BAADI op de agenda zetten. In dit verband zou ik van de staatssecretaris willen weten hoe nu de sociale partners, die een opdracht hebben gekregen, aan het werk zijn.

Voorzitter. Toen ik de enkele woorden op papier zette voor deze inbreng van vandaag, realiseerde ik mij dat ik bij een van de eerste begrotingsdebatten die ik als jong Kamerlid deed aan de overkant, heb gesproken over het recht op "decent work for persons with disabilities, full opportunities, rehabilitation, special vocational guidance, training and retraining, and employment on useful work under the same conditions and same pay". Dat was toen geen verzinsel van mijzelf, maar het kwam uit de ILO-conventie in 1945 te Philadelphia die ook door Nederland is getekend. Twee jaar later kwam daar ook nog eens de opdracht bij om ervoor te zorgen dat er op zijn minst een quotum van 2% zou worden gerealiseerd.

Toen vroeg ik me af wat er sinds die tijd is gebeurd. Wat is er gebeurd om het aantal mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt inderdaad te vergroten? Ook dan komt de herinnering boven. We hadden in de jaren tachtig toch een poging gedaan met de WAGW, een 5%-quotumwet, die echter te generiek bleek en te veel zou leiden tot problemen om ooit adequaat te kunnen functioneren. Maar in 2013 kwam de oplossing. De toenmalige regering wist hoe het moest: iedereen onder de Participatiewet. Dat betekende het de facto beëindigen van een prachtige voorziening als de sociale werkvoorziening. Dat wil zeggen, het fors afbouwen van de populatie, maar je kon erop rekenen dat er problemen zouden komen. Die zouden dan worden opgelost met de Wet banenafspraak.

Ik zie nu allerlei constructies om mij heen met vormen van beschut werk die voor de positie van de aangewezen doelgroep niet altijd gezond zijn. Die voldoen dus niet aan werk dat lonend en bélonend moet zijn voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ik vraag me dan ook in alle gemoede af of het wel een wijs besluit was om de WSW af te schaffen.

Nu blijkt dat het realiseren van banen niet gelukt is bij de overheid, komt de regering met een voorstel dat wellicht wel kansen biedt, kansen om alsnog bij die overheid banen te realiseren. Het moet mogelijk worden om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen en dat doet de overheid op dit moment nog steeds te weinig. Natuurlijk is de CDA-fractie teleurgesteld dat het niet gelukt is bij de overheid; die zou toch een voorbeeldrol moeten spelen. Als ik naar deze wet kijk, dan denk ik: jammer, want die lost niets op. Wij hebben in het verleden fouten gemaakt en wij gaan er dus van uit dat de nieuwe kansen die deze wet biedt, met volle urgentie door de staatssecretaris worden opgenomen.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dan u wel. Het woord is aan de heer Kox.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Kox (SP):

Voorzitter. Het is altijd fijn om hier te zijn en te staan, maar het is niet fijn om hier te staan om dit wetsvoorstel te behandelen. Dit is een slecht wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel lost niets op. Dit wetsvoorstel is niet eens een doekje voor het bloeden, maar een schaamlap om slecht beleid van de overheid en de regering af te dekken. Het is heel pijnlijk om daar 's morgens mee te beginnen. De staatssecretaris doet er niet ingewikkeld over en schrijft ook dat de overheid al drie jaar in gebreke is om te doen wat wij beloofd hadden.

We moeten nog even de context begrijpen waarbinnen dit is gebeurd. Mevrouw Stienen sprak over een tongbrekende wetstitel. Nog erger dan je tong breken, is iets zeggen wat niet waar is. Toen wij de Participatiewet invoerden, klonk het heel mooi, maar de werkelijkheid was natuurlijk dat we de Wajong gingen uitkleden en dat we de sociale werkplaatsen op slot deden. Mevrouw Oomen meldde dit ook. Dit was een aanslag op de positie van de allerzwaksten in de samenleving. Dat was allemaal om de 2 miljard binnen te halen die we nodig hadden om de crisis te bestrijden. Dus de allerkwetsbaarsten moesten een enorme prijs betalen om het land weer op orde te brengen.

In ruil daarvoor zou er een banenafspraak komen. Het bedrijfsleven zou 100.000 arbeidsplaatsen leveren voor mensen met een arbeidsbeperking en de overheid zou er 25.000 leveren. Mijn partij was daar niet erg enthousiast over. Niet vanwege het doel, maar wel vanwege ons vermoeden dat het mooier werd beloofd dan het zou worden gedaan. Vervolgens kwam er een wetsvoorstel, omdat wij ervoor moesten zorgen dat er een stok is. Als er niet wordt geleverd, dan is er een stok om op te treden. De gedachte was eigenlijk dat wij die stok nodig hadden voor het bedrijfsleven, want waarom had het bedrijfsleven niet altijd al arbeidsplaatsen gecreëerd? Voor de overheid hadden wij geen stok nodig, want die had het in eigen hand. Die kon het toen en die kon het voorbeeld geven. Het is toch buitengewoon cynisch dat het bedrijfsleven in staat is gebleken om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te helpen door de arbeid wat geschikter te maken voor die mensen — want daar zit natuurlijk de oplossing — en dat de overheid al drie jaar lang faalt. Over de stok die wij hadden, zegt de staatssecretaris nu: slaan helpt ook niks, dus wij bergen die stok weg en wij verzinnen iets anders.

Ik begrijp echt niet hoe we tot zo'n wetsvoorstel komen. Als je de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord leest: het is het ene smoesje na het andere. De staatssecretaris geeft toe dat de overheid faalt, maar ik vind de zin "de regering is zwaar teleurgesteld dat de overheid niet levert" net zoiets als de raad van commissarissen van Shell die zegt "het is toch een schande dat Shell het milieu vervuilt". Het is toch een kwestie van verantwoordelijkheid. De overheid is toch niet ook een sector; die valt toch onder de regering?

Mijn partij was in de Tweede Kamer dusdanig kritisch over het wetsvoorstel dat de stok creëerde, dat zij zei: wij geloven er niet in. In deze Kamer waren we na aanname van de motie-Elzinga waarin werd gezegd dat we in ieder geval snel gaan kijken of de wet werkt, zo rekkelijk dat wij bereid waren om voor te stemmen. Wij zijn niet de meest onredelijke partij in deze Kamer, maar als nu wordt gezegd "eigenlijk blijkt dat de wet niet effectief is", als blijkt dat onze collega's in de TK met hun wantrouwen in deze wet gelijk hadden en vervolgens het wetsvoorstel wordt aangepast door te zeggen "we bergen de stok op", dan zijn wij echt slecht bezig. Ik zou dus eigenlijk willen zeggen: mijn fractie kan niet voor dit wetsvoorstel stemmen, want het lost geen enkel probleem op. Ik heb vorige week bij de Algemene Beschouwingen gezegd: wat goed is kan door; wat slecht is moet weg. Dat geldt voor dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel is geen oplossing en dient dus ook niet aangenomen te worden. Ik heb eigenlijk niemand hier gehoord die zegt dat dit een goed wetsvoorstel is. Alles is nu gebaseerd op de hoop dat de staatssecretaris met aanvullend beleid haar beleid zal kunnen verbeteren. Ik hoop ook dat dat gaat gebeuren, maar het heeft geen zin om deze wet dan aan te nemen, want we doen er niks mee en we zetten onszelf alleen maar te kijk.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Lost het niet aannemen van deze wet wel het probleem op?

De heer Kox (SP):

Nee, het niet aannemen van deze wet lost geen probleem op, maar daarom moeten we geen wet aannemen waarvan zelfs de Raad van State zegt dat het drie keer niks is, in iets chiquere termen. We moeten dat niet doen. Ik vraag mij ook af wat de consequentie moet zijn. De staatssecretaris zegt dat de overheid waarvoor zij verantwoordelijk is, dus waar de regering voor verantwoordelijk is, jaar op jaar heeft gefaald. Wat moet dan de consequentie zijn? Kijk, de uiteindelijke afrekening komt in 2025, maar dan zit deze regering er niet meer. Op welk moment heeft het consequenties dat de staatssecretaris zegt: het beleid dat ik moet dragen, werkt niet? Mevrouw Stienen zegt dat het goed is dat de regering het boetekleed aantrekt. Dat is goed. Dat is eerlijk. Ik heb er de staatssecretaris ook voor gecomplimenteerd, maar laten we ons wel realiseren dat er slachtoffers zijn. De mensen die bij de invoering van de Participatiewet hun kansen om in de sociale werkplaats te gaan werken kwijtraakten, hebben we iets beloofd. Dat gaat over duizenden mensen die we iets beloofd hebben en die we niet leveren. Die mensen zijn de dupe daarvan. Het waren de allerkwetsbaarsten. Die moesten hun rechten inleveren omdat er crisis was en er iets moest gebeuren, en vervolgens hebben we niet geleverd. Die mensen hebben allemaal een gezicht. Zij hebben een naam. Zij hebben een sofinummer. Wat doen we met die mensen? Krijgen die mensen nog iets te horen, behalve dat zij te horen krijgen dat de regering het boetekleed aantrekt? Doen wij ook nog iets met die mensen? Of zeggen wij: jammer, dat is collateral damage?

Mijn partij, mevrouw de voorzitter, zal grote moeite hebben om voor dit wetsvoorstel te kunnen stemmen, maar we luisteren, als altijd, met groot plezier naar de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel.

Wenst één van de leden in de eerste termijn nog het woord te voeren? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Het volgende onderwerp vangt aan om 11.00 uur, de oorspronkelijke tijd op het schema.

De vergadering wordt van 10.45 uur tot 10.59 uur geschorst.