Verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 3 oktober 2017



Parlementair jaar 2017/2018, 2e vergadering

Aanvang: 13.30 uur

Sluiting: 14.13 uur

Status: gecorrigeerd


Opening

Voorzitter: Broekers-Knol

Tegenwoordig zijn 68 leden, te weten:

Van Apeldoorn, Atsma, Baay-Timmerman, Backer, Barth, Beuving, Bikker, Bredenoord, Brinkman, Broekers-Knol, Bruijn, De Bruijn-Wezeman, Dercksen, Diederik van Dijk, Don, Duthler, Ester, Faber-van de Klashorst, Flierman, Ganzevoort, Gerkens, De Graaf, De Grave, Van Hattem, Hoekstra, Ten Hoeve, Huijbregts-Schiedon, Jorritsma-Lebbink, Van Kappen, Niek Jan van Kesteren, Ton van Kesteren, Klip-Martin, Knapen, Knip, Koffeman, Köhler, Kok, Kox, Kuiper, Lintmeijer, Martens, Meijer, Nagel, Nooren, Oomen-Ruijten, Pijlman, Postema, Prast, Van Rij, Rinnooy Kan, Ruers, Schaap, Schalk, Schaper, Schnabel, Schouwenaar, Sent, Sini, Van der Sluijs, Stienen, Van Strien, Strik, Teunissen, Van de Ven, Verheijen, Vos, De Vries-Leggedoor en Wezel,

en de heer Dijkhoff, staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.


Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

Overbeek, wegens verblijf buitenslands in verband met deelname aan de Parlementaire Assemblee van de OVSE;

Vlietstra, wegens bezigheden elders;

Van Bijsterveld en Rombouts, wegens verblijf buitenslands;

Peter van Dijk, Van Beek en Engels, wegens ziekte.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.


Herdenking van de heer Vergeer

Aan de orde is de herdenking van de heer W.J. Vergeer.


De voorzitter:

Ik verzoek u allen te gaan staan.

Op 28 juni jongstleden overleed op 91-jarige leeftijd Wim Vergeer, oud-senator van de Katholieke Volkspartij. Hij was lid van de Eerste Kamer van 11 mei 1971 tot 17 juli 1979.

Willebrordus Johannes Vergeer werd op 28 maart 1926 geboren in Zeist. Na de mulo te hebben doorlopen, volgde hij wat toen nog "nijverheidsonderwijs" heette. Daarna voltooide de heer Vergeer een opleiding moderne bedrijfsadministratie in Utrecht.

Vanaf 1945 werkte de heer Vergeer in Utrecht als constructeur en later als chef bedrijfsbureau bij Werkspoor N.V. Voor dit bedrijf werkte hij in Argentinië, bij de Deltawerken, in de autobusbouw en in de chemie.

De politieke loopbaan van de heer Vergeer ving aan in 1962, toen hij benoemd werd als gemeenteraadslid in Utrecht. Deze functie zou de heer Vergeer tot 1977 vervullen, waarvan hij de laatste elf jaar tevens wethouder van bedrijven en verkeer was. Bij zijn afscheid kreeg hij de zilveren stadsmedaille uitgereikt.

Op 11 mei 1971 werd de heer Vergeer beëdigd als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. In dit huis hield hij zich bezig met Europese Zaken, Verkeer en Waterstaat en Binnenlandse Zaken. In zijn maidenspeech sprak de heer Vergeer zich uit voor transparantie in het lokaal en regionaal bestuur. Hij pleitte ervoor dat er bij de bestuurlijke herindeling duidelijk werd gemaakt wat de bestuurlijke en sociologische functie was van wat toen nog "gewesten" heetten. De heer Vergeer werd in dit huis gekenmerkt als een openhartige en ongekunstelde politicus.

In juni 1975 kreeg de politieke loopbaan van de heer Vergeer een nieuwe dimensie. Binnen de KVP was er een leiderschapscrisis ontstaan vanwege een geschil over de koers van de partij. Na het plotselinge vertrek van de partijvoorzitter werd de heer Vergeer aangewezen als zijn opvolger. Bij zijn aantreden gaf hij aan dat hij een einde wilde maken aan de discussie over de koers van de partij en dat de band tussen de partijtop en de basis moest worden hersteld.

In de aanloop naar de fusie van KVP, ARP en CHU tot het CDA bevond de heer Vergeer zich als partijvoorzitter in de moeilijke positie dat hij zowel de belangen van zijn eigen partij als de nog te vormen fusiepartij tegen elkaar moest afwegen. Toch bleef hij geduldig vertrouwen uitstralen. Om het overlegmodel te laten prevaleren over het conflictmodel zette hij zijn onbetwiste bestuurlijke kwaliteiten in. Zo droeg de heer Vergeer eraan bij dat de ideologie van de KVP in het CDA herkenbaar bleef.

In 1978 kreeg de heer Vergeer er naast zijn partijvoorzitterschap en Eerste Kamerlidmaatschap nóg een politieke functie bij. Hij werd benoemd tot lid van het Europees Parlement. Het eerste jaar werd hij hiertoe aangewezen door de Staten-Generaal, daarna werd hij rechtstreeks gekozen. Met als gevolg dat hij de Eerste Kamer verliet.

Toen hij in 1979 werd gekozen als vicevoorzitter van de CDA-fractie in het Europees Parlement, zag hij zich genoodzaakt om zijn partijvoorzitterschap neer te leggen. De heer Vergeer koos ervoor zijn aandacht vol op zijn activiteiten in Brussel te richten.

Binnen het Europees Parlement ontwikkelde de heer Vergeer zich tot deskundige op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. In 1987 initieerde hij een onderzoeksmissie naar het democratiseringsproces en de bescherming van mensenrechten in Suriname. Voor een resolutie van zijn hand over dit onderwerp ontving hij in het Europees Parlement brede steun. Ook voerde hij een succesvolle eenmanscampagne om geld vrij te maken voor blindheidsbestrijding in ontwikkelingslanden.

Deze successen vond hij zelf te marginaal. De heer Vergeer kreeg naar zijn idee binnen het Europees Parlement te weinig ruimte om zijn visie op het ontwikkelingsvraagstuk uit te werken. Derhalve besloot hij in 1989 het Europees Parlement te verlaten en zich volledig op het ontwikkelingswerk te richten. Bij zijn afscheid werd hij door de christendemocratische fractie voor zijn inspanningen onderscheiden met de Robert Schumannpenning.

Gedurende zijn werkzame leven vervulde de heer Vergeer een gevarieerd aantal andere maatschappelijke functies. Zo was hij voorzitter van het Nederlands Katholiek Vakverbond, vicevoorzitter van de Stichting Overheid-Bedrijfsleven-Arbeidsmarkt en voorzitter van Samenwerkingsstichting voor Voortgezet Onderwijs in Uden.

De heer Vergeer was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Moge ons respect voor zijn persoon en zijn grote verdiensten voor de Nederlandse en Europese parlementaire democratie tot steun zijn voor zijn familie en vrienden.

Ik verzoek eenieder om een moment stilte in acht te nemen.

De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.


Mededelingen

De voorzitter:

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.


Hamerstukken

Aan de orde is de behandeling van:

- het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie (33542);

- het wetsvoorstel Goedkeuring van het op 24 oktober 2014 op de Eems tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende het gebruik en beheer van de territoriale zee van 3 tot 12 zeemijlen (Trb. 2014, 182) (34072);

- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de physician assistant in de lijst van registerberoepen, het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen aan physician assistants en verpleegkundig specialisten en het opnemen van de mogelijkheid tot het instellen van een tijdelijk register voor experimenteerberoepen (34630);

- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten met het oog op het omvormen van het Associate degree-programma tot zelfstandige opleiding en het toevoegen van het niet-bekostigd onderwijs aan het diplomaregister (Wet invoering associate degree-opleiding) (34678);

- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet maritiem beheer BES en van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES in verband met de implementatie van het Verdrag van Nairobi inzake wrakopruiming (34710).


De voorzitter:

Ik heb begrepen dat mevrouw Strik het woord wenst over een ordevoorstel.


Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ja, voorzitter, dank u wel. Ik zou de Kamer willen verzoeken om wetsvoorstel 33542 van de lijst af te voeren en voor plenaire behandeling in aanmerking te laten komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de andere leden nog het woord? Het verzoek van mevrouw Strik is om wetsvoorstel 33542, Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie, van de lijst met hamerstukken van vandaag af te voeren. Kan de Kamer zich daarmee verenigen? Ik zie dat dat het geval is.

De overige wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De leden van de fracties van de PvdD en de SP wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de physician assistant in de lijst van registerberoepen, het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen aan physician assistants en verpleegkundig specialisten en het opnemen van de mogelijkheid tot het instellen van een tijdelijk register voor experimenteerberoepen (34630) te hebben kunnen verenigen.


Mededelingen


De voorzitter:

Aan de orde zijn de stemmingen. Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik heb begrepen dat de heer Nagel het woord wenst voor een ordevoorstel. Ik geef het woord aan de heer Nagel.


De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Wij hebben gisteren schriftelijk alle fractievoorzitters en woordvoerders via de Griffie en u het verzoek laten weten om een korte derde termijn te mogen houden, in verband met een in onze ogen nieuwe ontwikkeling, gelet op de vele honderden reacties van Nederlanders in het buitenland. Dat voorstel is zojuist onder uw leiding besproken in het seniorenoverleg.


De voorzitter:

Dat klopt, maar ik vraag eerst of op dit moment een van de andere leden nog het woord wenst. Dat is niet het geval.

De heer Nagel vraagt een korte derde termijn over wetsvoorstel 33852 (R2023), Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verlenging van de termijnen voor verlening van het Nederlanderschap en enige andere wijzigingen.

Kan de Kamer zich verenigen met een derde termijn? Dat is het geval.

Dan is het woord aan de heer Nagel.


Termijnen verlening Nederlanderschap

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verlenging van de termijnen voor verlening van het Nederlanderschap en enige andere wijzigingen (33852 (R2023)).

(Zie vergadering van 26 september 2017.)

De beraadslaging wordt heropend.


De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter, dank aan u en de Kamer voor de gelegenheid van deze heropening. Wij hebben die aangevraagd om een in onze ogen nieuw gegeven met deze Kamer en de staatssecretaris te kunnen bespreken.

Afgelopen weekend plaatste een ons onbekend iemand een oproep aan een beperkte groep Nederlanders in het buitenland met het verzoek de Eerste Kamerfractie van 50PLUS ervan te overtuigen dat 50PLUS tegen het aan de orde zijnde wetsvoorstel 33853 moet stemmen. Het centrale thema is de wijziging dat Nederlanders die gehuwd zijn of die met een partner staan geregistreerd het naturalisatieproces niet vanuit het buitenland kunnen laten verlopen, maar dat de buitenlandse partner eerst drie jaar in Nederland moet wonen. Op deze oproep ontvingen wij maar liefst 800 tot 900 zelfstandige brieven, in uiterst redelijke bewoordingen, met een vaak goede onderbouwing van de eigen situatie. Zowel dit overrompelende aantal, in zeer korte tijd, als de schildering van de betekenis van de wetswijziging voor betrokkenen is voor ons reden geweest om de Kamer te verzoeken deze actuele gebeurtenis aan de staatssecretaris te mogen voorleggen.

We hebben een aantal brieven doorgestuurd. Het is waar dat ook wetsbepalingen die nu al gelden de briefschrijvers ernstig pijn doen. Maar dat is een reden te meer om ervoor te waken dat dit gevoel door nieuwe wijzigingen verder wordt vergroot. Dacht de politiek aanvankelijk dat dit maar een zeer beperkte groep raakt, hoewel die ook belangrijk is, het moet voor iedereen toch een openbaring zijn dat de ontevredenheid en de angst voor de toekomst zo massaal leven onder de bijna 1 miljoen Nederlanders in het buitenland.

Wij menen dat Den Haag deze signalen, wellicht door onbekendheid, sterk heeft onderschat en niet zonder meer kan negeren. De vele onderbouwde brieven laten een veelzijdige problematiek zien. Ik geef kort vier voorbeelden. De heer Jan Hendriks, Nederlander die in Peru woont en werkt, wil zijn oude dag graag in Nederland doorbrengen met zijn Peruaanse levensgezel, maar door deze wet wordt dat praktisch onmogelijk. De heer Jan Pieter Tromp, werkend in Oman en gehuwd met een Braziliaanse, maakt zich grote zorgen over het flinke aantal Nederlanders in zijn omgeving dat direct getroffen wordt. De heer Nieuwenhuis uit Canada heeft kinderen en kleinkinderen die in Nederland wonen. Hij wil op zijn oude dag met zijn partner naar zijn familie in Nederland terug, maar meent dat dit in de nieuwe wetgeving niet meer mogelijk zal zijn. Ten slotte een Nederlandse vrouw in de Verenigde Staten die kankerpatiënt is. Vanwege haar euthanasieverklaring wil zij op een gegeven moment naar Nederland kunnen terugkeren met haar partner, maar zij vreest dat dit onmogelijk wordt vanwege de eisen die gelden voor een verblijfsvergunning en de inkomenseisen. Zij lijdt in dubbel opzicht. Talrijke gezinnen, zo blijkt uit de brieven, waarvan de partner van de Nederlander zelfstandig in het buitenland is, zullen uit elkaar worden gedreven door inkomens- en verblijfseisen. Er worden eisen gesteld die in dit flextijdperk zeer vaak niet haalbaar zijn. In de toekomstige situatie moet de partner drie jaar langer wachten.

Wij zijn getroffen door de omvang en de ernst van de problemen die Nederlanders in het buitenland gaan raken als deze wet doorgaat. Het zijn reacties vanuit de praktijk en niet van achter het Haagse bureau. Wij verzoeken de staatssecretaris zijn visie op deze massale reacties en de inhoud ervan te geven. Wij vragen hem of hij bereid is dit wetsvoorstel dan ook terug te nemen.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Nagel.

Wenst een van de leden in derde termijn nog het woord? Ja, de heer Van Hattem. Ga uw gang.


De heer Van Hattem (PVV):

Voorzitter. Is het niet alleszins redelijk dat wie Nederlander wil worden, wie de Nederlandse nationaliteit wil verkrijgen, gewoon enkele jaren in het land gaat leven waar hij de nationaliteit van wil verkrijgen? Dat geldt evengoed voor mensen die dat via het huwelijk of een partnerschap willen verkrijgen. Dit sluit ook aan bij de termijn van samenwonen. De heer Nagel had dat in de memorie van toelichting al kunnen vinden. Daarvoor is dezelfde driejaarstermijn gesteld. Desalniettemin is er bij ons toch enige verbazing over het feit dat 50PLUS hier op dit moment een groot punt van maakt, want we hebben 50PLUS noch in de Tweede Kamer noch in de voorbereiding in de Eerste Kamer over dit onderwerp gehoord. Nu komt er een voorgekauwde conceptbrief binnen — we zien in alle brieven heel vaak dezelfde regels terugkomen — en vinden de heer Nagel en 50PLUS het blijkbaar nodig om daarop aan te slaan.

Mevrouw Stienen (D66):

Even een correctie op wat de PVV-collega zegt. Hij doet de heer Nagel toch ernstig tekort. Vorige week tijdens een interruptie heb ik de heer Nagel inderdaad gevraagd hoe hij aankijkt tegen de kwestie van Nederlanders met niet-Nederlandse partners in het buitenland. Ik was verbaasd dat hij de kwestie niet noemde, maar toen zei hij: ik onderschrijf volledig wat uw fractie daarover heeft gezegd. Dat had ook te maken met de spreektijd. Wij hebben de heer Nagel vorige week dus wel heel goed gehoord over dit thema.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat was inderdaad pas vorige week, maar zoals ik zei, noch in de Tweede Kamer noch in de schriftelijke voorbereiding heeft 50PLUS hier ook maar iets over naar voren gebracht. Wat ze nu doen, is toch proberen een wetsvoorstel te blokkeren dat nog enigszins een dam moet opwerpen tegen de massa-immigratie. Die massa-immigratie is gewoon slecht voor onze Nederlandse ouderen. 50PLUS bewijst onze Nederlandse ouderen hiermee geen dienst. We hebben het — dat blijkt uit cijfers van het CBS — over 22.000 naturalisaties per jaar, waarvan de grootste groepen bestaan uit onder andere Marokkanen, Turken en Irakezen. Dat zijn niet de groepen die het meest bijdragen aan onze welvaartsstaat. Integendeel, de prijs die hiervoor moet worden betaald, is hoog en dat gaat ten koste van onze Nederlandse ouderen. Dat partijen als D66 van mevrouw Stienen een kosmopolitisch concept hebben van nationaliteit wil nog niet zeggen dat het Nederlanderschap als een belangrijke waarde, waarbij deze wet eisen stelt om aan dat Nederlanderschap te voldoen, zo maar terzijde kan worden geschoven. Mijn oproep aan de heer Nagel is om dit wetsvoorstel toch vooral te steunen en op te komen voor onze Nederlandse ouderen.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Van Hattem.

Wensen nog anderen het woord te voeren? Mevrouw Wezel.


Mevrouw Wezel (SP):

Voorzitter. Het is fijn om te merken dat meer partijen tot het voortschrijdend inzicht zijn gekomen dat het wetsvoorstel geen bijdrage levert voor betrokkenen, noch voor de andere Nederlanders, noch voor de Nederlandse samenleving als geheel. Uit het eerder genoemde wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de verlenging niets zal uithalen. Voor de integratie is het juist goed dat betrokkenen zo snel mogelijk naturaliseren. Naar de mening van de SP is dit een achteruitgang, terwijl wij juist vooruit zouden moeten willen in deze steeds meer globaliserende wereld. De vraag aan de staatssecretaris is daarom: wat is de meerwaarde van dit wetsvoorstel?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Wezel. Ik kijk nog een keer rond of er nog andere sprekers zijn. Dat is niet het geval. Is de staatssecretaris in de gelegenheid om direct te antwoorden? Dat is het geval. Dan geef ik het woord aan de staatssecretaris.


Staatssecretaris Dijkhoff:

Voorzitter, dank u wel. Ik dank ook de leden van uw Kamer voor het stellen van de vragen, omdat ik blij ben de gelegenheid te hebben om nog te reageren op de gebeurtenissen en de berichten die zijn binnengekomen.

De heer Nagel vraagt of de signalen zijn onderschat. Volgens mij niet. Volgens mij zijn ze uitgebreid aan de orde gekomen, ook op verzoek en na vragen van zijn collega in de Tweede Kamer bij de behandeling van deze wet. Je ziet in de mails een breed scala aan vragen, zorgen en klachten, vaak van mensen die in het buitenland wonen en ofwel bang zijn hun Nederlanderschap te verliezen of dat al hadden verloren doordat zij zich niet precies in de regels verdiept hadden. Ook in de Tweede Kamer lag de focus daarop.

Een deel van de vragen gaat over Nederlanders met een partner in het buitenland. Voor deze categorie biedt dit wetsvoorstel een aanscherping en wel om twee redenen. De eerste reden is dat we nu een verschil in behandeling maken. Makkelijk gezegd: er wonen twee Nederlanders in Amerika. Zij hebben daar allebei een partner gevonden, de ene een Amerikaanse vrouw en de andere een Braziliaanse. Nu behandelen wij die verschillend. Voor de man met de Braziliaanse vrouw in Amerika is het makkelijker dan voor de man met de Amerikaanse vrouw in Amerika. Met dit wetsvoorstel gaan we hen gelijk behandelen. Toegegeven, daarop volgt wel het verzoek dat het gezin in Nederland kan zijn, maar dat men hier drie jaar verblijft voordat de partner Nederlandse kan worden. Dat geldt met dit wetsvoorstel voor beiden.

Ik denk dat daarmee een reële balans is gevonden, maar er is een potentieel nadeel. Mevrouw Oomen heeft vorige week veel nadruk gelegd op de expats en de inkomenseis. Ik heb toegezegd dat de IND naar hun positie zal kijken en maatwerk kan verrichten. Als men het idee heeft dat zij gewoon in het levensonderhoud kunnen voorzien op een andere manier dan de inkomenseis technisch vereist, kan men daar coulant mee omgaan. Ik zal dan dat maatwerk zal volgen en de Kamer daarvan op de hoogte brengen. Als het nodig is, kan dat leiden tot gewijzigd beleid.

Door mensen die per mail hun ongenoegen hebben geuit, is ook gevraagd of ik geen onderscheid kan maken tussen de Nederlandse expat die in het buitenland een partner heeft en de nieuwe Nederlander, om het zo maar politiek correct uit te drukken, die wellicht naar een derde land gaat — ik noem Tunesië — om na een tijdje een Marokkaanse partner terug naar Nederland te brengen die op geen enkele manier kennis heeft genomen van de Nederlandse waarden, die niet hoeft in te burgeren, voor wie die eisen niet gelden en die toch Nederlandse wordt zonder een band te hebben met ons land en onze normen en waarden. De wijzigingen van deze wet die voor onze samenleving een verzekering inbouwen tegen dat laatste inbouwen in stand houden, kan ik niet in stand houden zonder ze ook toe te passen op andere Nederlanders. Een Nederlander is een Nederlander. Ik kan geen wettelijk verschil maken tussen iemand die al x generaties Nederlander is en iemand die dat wat minder lang is. Daarom denk ik dat het nadeel voor een kleine groep, dat ik vorige week heb beperkt in toezeggingen richting mevrouw Oomen en ook richting de heer Nagel over de leges, niet zou moeten leiden tot het verwerpen van deze wet.

Daar komt nog iets sterkers bij. De meeste mensen die signalen hebben geuit, zijn beter af met deze wet. De meeste mensen klagen dat ze hun Nederlanderschap kwijt waren of bang zijn het te verliezen. Deze wet zorgt dat de verliestermijn wordt verlengd van tien jaar naar vijftien jaar. Heel belangrijk is ook dat er naar aanleiding van een discussie over juist deze groep die ook in de Tweede Kamer — ere wie ere toekomt — is gevoerd, per amendement een spijtoptantenregeling in de wet is verwerkt. Iedere Nederlander die in de afgelopen jaren zijn Nederlanderschap is kwijtgeraakt maar wel ooit Nederlander was, kan nu alleen op een heel moeilijke manier zijn Nederlanderschap terug verkrijgen. Wordt deze wet aangenomen, dan kunnen zij via de spijtoptantenregeling op een zeer eenvoudige manier hun Nederlanderschap terug verkrijgen. Daarmee komen wij tegemoet aan heel veel zorgen van Nederlanders in het buitenland die ook tot ons zijn gekomen.

De heer Nagel (50PLUS):

Ik hoor de staatssecretaris erkennen dat er in een aantal gevallen nadelen zijn bij aanneming van deze wet, in onze ogen schrijnende gevallen van verwijdering tussen gezinsleden. Hij wijst erop dat er aan de andere kant voordelen zijn: de spijtoptantenregeling waardoor mensen het Nederlanderschap terug kunnen krijgen en de verlenging van tien naar vijftien jaar in het buitenland wonen. Maar die laatste twee factoren, de spijtoptantenregeling en de verlenging van tien naar vijftien jaar, zijn toch met een aanvullende wet te regelen? Ik kan mij voorstellen dat mijn fractie in de Tweede Kamer samen met een aantal andere fracties daar een initiatiefwetsontwerp voor indient. Dan is het binnen een jaar geregeld.

Staatssecretaris Dijkhoff:

De creativiteit van het democratisch proces kent weinig grenzen, dus alles kan. Ik wil er alleen op wijzen dat de nadelen voor bepaalde groepen in de wet zeer verdedigbaar zijn, als je kijkt naar de reden waarom dat is gedaan. Dat is geen pesterij. Er is een zeer legitieme reden. Je stelt eisen aan mensen om Nederlander te worden. Dit debat in deze Kamer heeft zich toegespitst op een getalsmatige minderheid, de expats in het buitenland met een buitenlandse partner. U kunt daarvoor kiezen, maar er is een grotere groep mensen waarbij relatievestiging, om het moderne woord te gebruiken in plaats van huwelijksmigratie, plaatsheeft. Dat zijn juist de mensen die, zo is de ervaring, via constructies zoals de Belgiëroute tot onze samenleving komen, naturaliseren en daarbij door hun partner niet de verworvenheden en vrijheden van de Nederlandse samenleving worden gegund. Wij hebben als samenleving geen mechanisme om hen daarbij te betrekken, om hun integratie te bevorderen. Voor die getalsmatig veel grotere groep vind ik dit een goede maatregel. Ik heb vorige week aangegeven dat wij voor de groep waarop dit wetsvoorstel niet gericht is maar die er wel effect van voelt, de expats, voorzien in maatwerk waardoor we de nadelen voor hen kunnen beperken.

Een ander schrijnend voorbeeld dat de heer Nagel noemde, was de mevrouw die ervoor kiest om in de laatste fase van haar leven terug te keren naar Nederland. Die kan met haar Canadese partner sowieso visumvrij naar Nederland komen. Mocht dat langer duren dan drie maanden, dan hebben we de mogelijkheid om een aantal van de eisen die je stelt voor langer verblijf zoals een inkomenseis, om humanitaire redenen niet te stellen. In de praktijk doen we dat vaker. Kijk ik naar de wet en naar de manier waarop we die in de praktijk ten uitvoer leggen, dan denk ik dat die in balans is en dat uiteindelijk ook de expats die zo veel zorgen uiten met deze wet beter af zijn dan zonder, met name vanwege de spijtoptantenregeling, het uitstel en het maatwerk dat we kunnen bieden voor bepaalde mensen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik hoor de staatssecretaris enerzijds zeggen dat we mensen gelijk moeten behandelen. Anderzijds hoor ik de staatssecretaris nu onderscheid maken tussen mensen die misbruik zouden maken van regels en mensen die met oprechte bedoelingen gebruik willen maken van hun recht. Dat komt op mij wat vreemd over. Ik heb dit soort argumenten niet eerder teruggelezen in de memorie van toelichting. Deze beeldvorming, die naar mijn idee niet onderbouwd is, valt mij nu een beetje rauw op mijn dak. Ik heb de staatssecretaris eerder horen zeggen dat degenen die samenwonen en degenen die getrouwd zijn gelijk behandeld moeten worden. De vraag blijft waarom degenen die getrouwd zijn daardoor slechter behandeld worden, namelijk gelijkgesteld worden met samenwonenden. Je zou ook kunnen zeggen: we behandelen ze gelijk en maken het voor beide groepen mogelijk om in het buitenland te naturaliseren.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Mevrouw Strik begint haar vraag met dat ik onderscheid zou willen maken tussen mensen die oprecht gebruik willen maken van een regeling en mensen die er misbruik van willen maken. Er lijkt mij in onze rechtsstaat juist niets mis mee dat je onderscheid maakt tussen mensen die er het beoogde gebruik van willen maken en mensen die er misbruik van willen maken.

Ik heb ook gezegd dat ik geen wettelijk onderscheid wil kunnen maken — dat mag gelukkig ook niet in een rechtsstaat — tussen wat we hier expats zijn gaan noemen, zeg maar twintigstegeneratie-Nederlanders, en derde-, tweede- of eerstegeneratie-Nederlanders. Dat is ook de reden waarom ik niets zie in het terugnemen van het wetsvoorstel. Ik kan het niet terugnemen en u dan een wet voorleggen waarin wordt gesteld: als je twintigstegeneratie-Nederlander bent, dan behandelen we jou en je partner anders dan wanneer je derdegeneratie-Nederlander bent. Ik wil dat wettelijk onderscheid juist niet maken.

Daarnaast heb ik gezegd dat de IND in de uitvoering geen technocratische, blinde organisatie is en zal zijn en maatwerk kan verrichten op het moment dat iemand materieel voldoet aan de middeleneis, die wij om redenen stellen, maar je die wellicht op een technisch detail ook zou kunnen afwijzen. Dat doen we vaker. Dat doen we ook op andere terreinen. Ik noem het hele fenomeen discretionaire bevoegdheid. Daarbij voldeden mensen per definitie niet aan de regels, maar maakten wij toch een uitzondering vanwege schrijnende redenen. Volgens mij ben ik niet bezig met het creëren van een onderscheid dat moreel of juridisch niet zou kunnen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Daar ben ik dan blij mee. Uiteraard moet misbruik altijd worden tegengegaan. Maar ik kreeg even de indruk dat de staatssecretaris een verschil probeerde te maken tussen genaturaliseerde Nederlanders en andere Nederlanders en daarbij een beeld neerzette dat we voor die groep, voor de genaturaliseerde Nederlanders, de regels strenger willen maken en dat daar de Nederlanders die altijd Nederlander zijn geweest misschien onder zouden kunnen lijden, maar dat daar uitzonderingen voor zijn. Ik ben heel blij als de staatssecretaris aangeeft dat daar geen sprake van is.

De voorzitter:

De heer Ten Hoeve, kort graag.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik heb een beetje moeite met het idee van misbruik maken van onze naturalisatiewetgeving. Als een Nederlander naar Canada gaat en zich daar laat naturaliseren, maar desondanks in Nederland een vrouw zoekt, is dat misbruik van wetgeving daar? Als ik dat overzet naar de Nederlandse situatie: een Marokkaan die hier genaturaliseerd is en desondanks een vrouw uit zijn eigen land zoekt, is dat misbruik van onze wetgeving?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Nee. Daarom maakt de wetgeving dat mogelijk. Maar we willen daarbinnen wel mogelijkheden creëren om ervoor te zorgen dat iemand dan ook inburgert en we willen ook inburgeringseisen stellen aan iemand die uit liefde naar Nederland komt. Ik heb het woord "misbruik" alleen maar gebruikt in de herhaling van een vraag waarin het woord "misbruik" besloten zat, dus ik vind het ingewikkeld om dat nu aangewreven te krijgen.

De voorzitter:

Mijnheer Ten Hoeve, tot slot.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Uitstekend. Maar in alle gevallen geldt toch zowel voor Nederlanders als voor die Marokkanen die drie jaar die er nu al staat dat je getrouwd moet zijn?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Beide categorieën worden gelijk behandeld en voor beide gelden dezelfde eisen.

Voorzitter, ik zie met nog meer belangstelling dan ooit uit naar de stemming. Ik hoop dat we daarbij recht kunnen doen aan de zorgen in onze samenleving. Dat geldt zowel voor de Nederlanders die bezorgd zijn over de voorwaarden waaronder je Nederlander kunt worden — de mensen de Nederlander willen worden, moeten dat op een goede manier kunnen doen, maar wij willen daar wel een aantal inburgeringswaarborgen voor stellen — als voor de vele expats, die zich vooral zorgen hebben gemaakt over het verlies van Nederlanderschap of het al verloren gegane Nederlanderschap en die dat zouden kunnen herkrijgen als deze wet wordt aangenomen.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Er is verzocht om eerst te stemmen over de motie en dan over het wetsvoorstel.


Stemmingen

Stemming motie Termijnen verlening Nederlanderschap

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verlenging van de termijnen voor verlening van het Nederlanderschap en enige andere wijzigingen,

te weten:

de motie-Strik c.s. over de integratie van vluchtelingen (33852 (R2023), letter G).

(Zie vergadering van 26 september 2017.)

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf.


De heer Diederik van Dijk (SGP):

Voorzitter. Mag ik dat in één adem doen met die over het wetsvoorstel?

De voorzitter:

Ja, dat mag.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor zijn zojuist gegeven nadere toelichting. Het kiezen van een termijn is meestal geen exacte wetenschap. Nederland heeft voor naturalisatie een termijn van vijf jaar, maar er zijn ook uiterst beschaafde landen die een termijn van tien jaar kennen.

De voorzitter:

Een stemverklaring is kort, mijnheer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Zeker, zeker. Ik houd het heel kort. Alle varianten hiertussen zijn juridisch gezien acceptabel. Een termijn van zeven jaar is niet gek gekozen. De verlenging biedt kansen om integratie extra te bevorderen. Er zou in de termijn tussen vijf en zeven jaar verschil gemaakt kunnen worden tussen degenen die inzet getoond hebben en degenen die onvoldoende vooruitgang boeken. Wie onvoldoende wil integreren, moet tot het moment van naturalisatie uitgezet kunnen worden. Ik hoop dat we met het nieuwe kabinet kunnen spreken over plannen om daaraan te werken. Vooruitlopend daarop steunt de SGP het wetsvoorstel en stemt zij tegen de motie van GroenLinks.

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Nagel wil ook nog een stemverklaring afleggen.


De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. De motie-Strik c.s. vraagt te onderzoeken of de duur van de naturalisatietermijn kan bijdragen aan het optimaliseren van de integratie van vluchtelingen. In onze ogen betekent dat dat hier ook betrokken kan worden het Belgische model dat mensen die zich goed inspannen beloond kunnen worden met een kortere termijn, maar ook dat bij het tegendeel de termijn zelfs tien jaar kan zijn. Wij steunen dat onderzoek, wij gaan mee in die gedachtegang en wij stemmen voor.

Dan ons eindoordeel over het wetsontwerp, waarbij wij twee onderwerpen noemen. Allereerst de Nederlanders in het buitenland.

De voorzitter:

Mag ik u ook verzoeken om het kort te houden?

De heer Nagel (50PLUS):

Ik houd het kort, maar het waren toch twee onderdelen waarover wij ons standpunt niet definitief hebben gegeven. Het lijkt ons, gelet op de positie, dat dat toch terecht is. Ik doe het kort. De Nederlanders in het buitenland. Zowel inhoudelijke redenen als de reacties die wij hebben gekregen, maken het voor 50PLUS nagenoeg onmogelijk om voor het totale wetsontwerp te stemmen. Wat betreft de verlenging van de duur van de naturalisatietermijn, hebben wij de staatssecretaris met grote nadruk gevraagd om ons ervan te overtuigen dat dit voorstel bijdraagt tot een betere integratie. Hij heeft ons met zijn onderbouwing niet kunnen overtuigen. Verder weegt het advies van de Raad van State mee. Samenvattend: alles bij elkaar vindt 50PLUS deze feiten en argumenten doorslaggevend om tegen het wetsvoorstel te stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Nagel. Ik kijk nogmaals rond. Zijn er nog andere leden die een stemverklaring willen afleggen? Ik zie dat dat niet het geval is. We stemmen nu dus eerst over de motie.

In stemming komt de motie-Strik c.s. (33852 (R2023), letter G).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de ChristenUnie, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, de OSF, de SP en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SGP, de VVD, het CDA en de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemming Verlenging termijnen Nederlanderschap

Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel het wetsvoorstel Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verlenging van de termijnen voor verlening van het Nederlanderschap en enige andere wijzigingen (33852 (R2023)) (33852 (R2023)).

(Zie vergadering van heden.)

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.


Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Er is een brede behoefte aan dat migranten voluit in de samenleving participeren en de overheid heeft hierin een belangrijke faciliterende rol. Maar dit wetsvoorstel doet het tegenovergestelde. Het houdt migranten langer af van de mogelijkheid om volwaardig mee te doen. Het sluit mensen niet in, maar stoot ze juist af en geeft het signaal af dat migranten na vijf jaar onvoldoende verbonden zouden zijn met Nederland. Mijn fractie meent dat dit de verkeerde richting uitgaat, omdat het de integratie eerder schaadt dan baat en omdat het de tweedeling tussen wij en zij alleen maar versterkt. Wij zullen daarom tegen de wet stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Strik. Zijn er nog anderen die een stemverklaring wensen af te leggen over het wetsvoorstel? Dat is niet het geval. Dan gaan wij stemmen over het wetsvoorstel. Hebben alle leden de presentielijst getekend? Ik zie dat dat het geval is.

In stemming komt het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de VVD, het CDA en de PVV voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fracties van de ChristenUnie, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, de OSF, de SP en D66 ertegen, zodat het is verworpen.


Sluiting

Sluiting 14.13 uur.


Bijlages

Lijst van besluiten en ingekomen stukken

Lijst van besluiten:

De Voorzitter heeft na overleg met het College van Senioren besloten om:

a. de plenaire behandeling van de volgende hamerstukken te doen plaatsvinden op 3 oktober 2017:

Goedkeuring van het op 24 oktober 2014 op de Eems tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende het gebruik en beheer van de territoriale zee van 3 tot 12 zeemijlen (Trb. 2014, 182) (34072);

Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de physician assistant in de lijst van registerberoepen, het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen aan physician assistants en verpleegkundig specialisten en het opnemen van de mogelijkheid tot het instellen van een tijdelijk register voor experimenteerberoepen (34630);

Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten met het oog op het omvormen van het Associate degree-programma tot zelfstandige opleiding en het toevoegen van het niet-bekostigd onderwijs aan het diplomaregister (Wet invoering associate degree-opleiding) (34678);

b. de plenaire behandeling van het volgende hamerstuk te doen plaatsvinden op 3 oktober 2017 (onder voorbehoud):

Wijziging van de Wet maritiem beheer BES en van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES in verband met de implementatie van het Verdrag van Nairobi inzake wrakopruiming (34710);

c. de stemmingen over het volgende wetsvoorstel en de volgende motie te doen plaatsvinden op 3 oktober 2017:

Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verlenging van de termijnen voor verlening van het Nederlanderschap en enige andere wijzigingen (33852 (R2023));

Motie van het lid Strik (GroenLinks) c.s. over de integratie van vluchtelingen (33852 (R2023), G);

d. het voorbereidend onderzoek van het volgende wetsvoorstel door de vaste commissie voor Financiën te doen plaatsvinden op 10 oktober 2017:

Wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten op het terrein van accountantsorganisaties en het accountantsberoep in verband met het versterken van de governance van accountantsorganisaties (Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties) (34677);

e. de plenaire behandeling van het volgende rapport en het volgende wetsvoorstel te doen plaatsvinden op 24 oktober 2017:

Rapport van de Tijdelijke Commissie Werkwijze Eerste Kamer met bijlage (CXXIV, A);

Verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor Caribische openbare lichamen en het regelen van een kiescollege voor de Eerste Kamer (34702).

Lijst van ingekomen stukken, met de door de Voorzitter ter zake gedane voorstellen:

1. de volgende regeringsmissives:

een, van de minister van Buitenlandse Zaken, ten geleide van het verslag van de informele Raad Buitenlandse Zaken (Gymnich) van 7 en 8 september 2017 (griffienr. 161652.01);

een, van alsvoren, ten geleide van een fiche dat werd opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen inzake Mededeling Smart Specialisation-aanpak (griffienr. 161803);

een, van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, ten geleide van het verslag Raad Buitenlandse Zaken OS van 11 september 2017 (griffienr. 161802);

een, van de minister van Veiligheid en Justitie, inzake Voortgangsrapportage modernisering Wetboek van Strafvordering _x000d_ (griffienr. 161798);

een, van de minister van Financiën, ten geleide van het verslag Eurogroep en informele Ecofin-Raad van 15 en 16 september 2017 te Tallinn (griffienr. 161667.01);

een, van alsvoren, inzake Questionnaire to the Expert Group of the European Securities Committee (griffienr. 161799);

een, van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, inzake budgettair kader Wlz 2017 (griffienr. 161795).

De Voorzitter stelt voor deze missives voor kennisgeving aan te nemen. De bijlagen zijn neergelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning ter inzage voor de leden;

2. de volgende missives:

een, van de Algemene Rekenkamer, ten geleide van het Rapport Toezicht op banken in Nederland; Uitvoering prudentieel toezicht op middelgrote en kleine banken door DNB (griffienr. 161807);

een, van het Kabinet van de Koning, houdende de bekrachtiging van een aantal door de Staten-Generaal aangenomen wetsvoorstellen (griffienr. 161809).

De Voorzitter stelt voor deze missives voor kennisgeving aan te nemen. De bijlagen zijn neergelegd op de afdeling inhoudelijke ondersteuning ter inzage voor de leden;

3. de volgende geschriften:

een, van R.d.R. te G., inzake onterechte gronddeal transactie tussen gemeente Hof van Twente en het CDA-raadslid R.B. te B. (griffienr. 156593.04).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning;

een, van S.G.L. te A., inzake publicatie wet Innovatie en kwaliteit Kinderopvang (griffienr. 161147.03).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

een, van M.v.B., inzake informatief artikel over de marktwerking in de zorg (griffienr. 161791).

Dit geschrift wordt van belang geacht voor de leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Voorzitter stelt voor deze geschriften voor kennisgeving aan te nemen.