T01974

Toezegging Monitoren invulling wettelijke burgerschapstaak (33.740)



De Staatssecretaris zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Ganzevoort (GroenLinks), Vlietstra (PvdA) en Bruijn (VVD), toe de inspectie de komende twee schooljaren te laten monitoren hoe door scholen invulling wordt gegeven aan de wettelijke burgerschapstaak. Daarbij wordt mede gekeken naar door de Kamer genoemde elementen als eventuele onderscheidende effecten, ontwikkelingen met betrekking tot de maatschappelijke stage, financiële ruimte en het behalen van de leerdoelen.


Kerngegevens

Nummer T01974
Status voldaan
Datum toezegging 10 juni 2014
Deadline 1 januari 2017
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden Prof.dr. J.A. Bruijn (VVD)
Prof.dr. R.R. Ganzevoort (GroenLinks)
J.G. Vlietstra (PvdA)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen burgerschap
maatschappelijke stage
monitoring
Kamerstukken Afschaffing van de verplichte maatschappelijke stage (33.740)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 3 - blz. 3

De heer Bruijn (VVD): Naar inschatting van het Kenniscentrum Maatschappelijke stage blijft een kwart van de scholen de stage aanbieden, een kwart van de scholen zal hiermee stoppen en de helft zal op zoek gaan naar alternatieven om een maatschappelijke stage vorm te geven. De vraag die mijn fractie de staatssecretaris ten slotte wel zou willen stellen is in hoeverre de wetswijziging kan leiden tot het afschaffen van de stage op plaatsen waar dat niet gewenst is of waar geen alternatief voorhanden is. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de zorgen die hierover zijn geuit door de Besturenraad? Gaat de regering dit monitoren en, zo ja, op welke wijze? Is de staatssecretaris bereid de resultaten van een dergelijke monitoring, als die zal plaatsvinden, ook voor te leggen aan deze Kamer?

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 3 - blz. 5

De heer Ganzevoort (GroenLinks): Is de regering ten eerste bereid, te monitoren hoe de maatschappelijke stage en andere vormen van maatschappelijke betrokkenheid van het voortgezet onderwijs zich in de komende jaren ontwikkelen? Wil de regering daarbij ook inzicht geven in de kenmerken van scholen en leerlingenpopulaties waar de maatschappelijke stage en dergelijke bloeien of verdorren? Concreet: blijken bijvoorbeeld sociaal-economische klasse en opleidingsniveau van invloed op de beschikbaarheid van maatschappelijke stages en dergelijke en vindt de regering dat wenselijk? En wil de regering deze Kamer daarover informeren?

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 3 - blz. 8

Mevrouw Vlietstra (PvdA): Het kabinet benadrukt dat de maatschappelijke stage gehandhaafd kan worden als scholen dat willen. Onderzoek van het Kenniscentrum voor Maatschappelijke Stage laat zien dat dit voor een kwart van de scholen geldt en dat de helft van de scholen dit afhankelijk maakt van het vinden van alternatieve financiering. Een kwart van de scholen heeft aangegeven te zullen stoppen met de maatschappelijke stage. Kortom, als scholen de maatschappelijke stage vanaf volgend jaar zelf moeten financieren, is het nog maar de vraag hoeveel scholen daar prioriteit aan willen en kunnen geven. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit gegeven? Is hij bereid de effecten van het afschaffen van het wettelijk verplichte karakter van de maatschappelijke stage nauwgezet te monitoren en deze Kamer daarover te informeren? Meerdere fracties hebben daarnaar gevraagd. Met name de heer Ganzevoort heeft daar een aantal behartigenswaardige suggesties voor gedaan.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 13 - blz. 3-4

Staatssecretaris Dekker: De heer Ganzevoort vroeg: wij gaan nu iets doen en bieden meer ruimte, maar hoe wordt daar dan vervolgens gebruik van gemaakt? Kunnen wij de vinger aan de pols houden en kunnen wij in ieder geval nagaan hoe zich dat ontwikkelt? Het zou zonde zijn als de stage verdween op plaatsen waar dat wellicht ongewenst is, of dat een en ander ertoe zou leiden dat straks misschien helemaal geen invulling meer wordt gegeven aan de wettelijke burgerschapstaak. Ook mevrouw Vlietstra en de heer Bruijn hadden het daarover. Ik vind dit een relevant punt. Mijn voorstel zou zijn om niet alleen maar te bezien hoe er na dit jaar inhoud wordt gegeven aan de maatschappelijke stage, maar een en ander iets breder te trekken. Laten wij bezien hoe invulling wordt gegeven aan de wettelijke burgerschapstaak. Ik vind het ook een taak voor de inspectie om toe te zien op de manier waarop scholen dat doen. Net zo goed als dat er wordt gekeken naar taal en rekenen en dat erop wordt toegezien hoe scholen het doen op de vaste examenvakken, kunnen wij natuurlijk ook vragen hoe scholen invulling geven aan hun burgerschapstaak. Mijn voorstel zou zijn dat het onderzoek wordt uitgevoerd in het volgende schooljaar, wanneer eigenlijk voor het eerst de plicht niet meer geldt, maar ook in het schooljaar daarna, omdat dan ook de financiering algemener wordt. Dan wordt de financiering niet meer specifiek gekoppeld aan de maatschappelijke stage, maar gaat het geld in de algemene middelen van de school. Eind 2016 hebben wij dan twee jaar gehad, één jaar nog met de financiering en één jaar zonder de financiering. Dan weten wij in ieder geval hoe zich dit ontwikkelt en of er wellicht andere vormen voor in de plaats komen.

De voorzitter: De heer Ganzevoort komt nu spoorslags naar de microfoon.

De heer Ganzevoort (GroenLinks): Wij zijn bezig om de tweede termijn in te korten. Ik dank voor de beantwoording ook op dit punt. De vraag die ik daarbij heb gesteld, was om met name te monitoren of er onderscheidende effecten zijn, bijvoorbeeld als je kijkt naar sociaal-economische klasse, achtergrond, bepaalde gebieden in het land enzovoort. Kan dat worden meegenomen?

Staatssecretaris Dekker: Ik zal de inspectie vragen om als men veranderingen ziet, te bezien wat de verklarende factoren zijn. Waarom kiezen sommige scholen er wel voor en andere niet? Heeft dit te maken met een bewuste keuze op grond van de identiteit van een school? Ik denk dat wij het er dan snel met elkaar over eens zijn dat dit een gerechtvaardigde keuze is, omdat je dan naar andere manieren zoekt om inhoud te geven aan de burgerschapstaak. Of er wordt bijvoorbeeld gezegd: wij kunnen dit niet doen vanwege de populatie op onze school of vanwege de achtergrond van de ouders et cetera. Dit is een iets langere toelichting op uw vraag, maar het antwoord is ja.

Mevrouw Vlietstra (PvdA): Even heel scherp. Op zichzelf genomen ben ik blij met deze toezegging. Ik heb ook geen probleem met de verbreding als scholen invulling geven aan hun burgerschapstaak. Maar ik zou het wel prettig vinden als daarbinnen ook goed werd nagegaan welke scholen nog gebruikmaken van de maatschappelijke stage en waarom zij dat wel of niet doen. Die informatie zou ik in dat kader over de komende twee schooljaren wel graag beschikbaar willen hebben.

Staatssecretaris Dekker: Ja.

(...)

Staatssecretaris Dekker: Mevrouw Vlietstra vroeg specifiek of de maatschappelijke stage in het onderzoek van de inspectie terugkomt. Wat mij betreft, gebeurt dat, maar dan wel in het bredere kader. We zouden af moeten van de maatschappelijke stage als een doel op zichzelf en ons afvragen hoe invulling wordt gegeven aan de uitvoering van de wettelijke burgerschapstaken. Daar is de maatschappelijke stage een vorm van, maar dat kan ook anders. Ik zal de inspectie specifiek vragen of zij daar wat ontwikkelingen in kan aangeven, bijvoorbeeld het aantal scholen dat ermee doorgaat, het aantal scholen dat er anders vorm aan geeft, hoeveel scholen ermee stoppen en wat de eventuele alternatieven zijn die ervoor in de plaats kunnen komen.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 13 - blz. 6

De heer Bruijn (VVD): Ik heb nog één vraag aan de staatssecretaris over het monitoren van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wettelijke burgerschapstaken, het "wat" eigenlijk. Het gaat om de vraag of die leerdoelen in de toetsing worden meegenomen. Als je gaat monitoren hoe dat onderwijs wordt gegeven, ga je je meer met het "hoe" bemoeien. Als je consequent bent, zou je dat juist aan de scholen moeten overlaten. Als het in de leerdoelen zit en goed getoetst wordt, voldoe je eigenlijk aan de afspraak en aan de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem. Mijn concrete vraag is of de staatssecretaris in ieder geval zou willen overwegen om bij het monitoren op zijn minst de toetsing mee te nemen en na te gaan of die burgerschapstaken daar in zitten.

Staatssecretaris Dekker: Het onderwerp dat de heer Bruijn hier aankaart, is uitermate interessant. Ik denk dat het lastig is om het bij het onderzoek mee te nemen. Er is nu niets dat dit op de een of andere manier toetst. Het zal ingewikkeld zijn om dat in te voeren voordat het onderzoek is afgerond. Met andere woorden: de inspectie zal moeten roeien met de riemen die zij heeft om hier straks iets zinnigs over te kunnen zeggen. Diezelfde inspectie heeft in "De staat van het onderwijs", het onderwijsverslag dat zij eerder dit jaar publiceerde, hier wel iets over gezegd. De exacte doelen die scholen zichzelf opleggen als het gaat om dat burgerschapsonderwijs kunnen nog wel wat concreter zijn. Scholen zouden voor zichzelf meer moeten nagaan of zij met hun onderwijs uiteindelijk de ontwikkeling bij kinderen bewerkstelligen die zij voor ogen hebben. Ik vind dat belangrijk bij al het onderwijs dat wordt gegeven. Het gaat uiteindelijk niet om het geven van onderwijs, maar om wat kinderen leren. Ook scholen hebben de verantwoordelijkheid om dat goed na te gaan, of dat nu gaat met een toets of met observaties of op een andere manier. Er zijn vele manieren om de ontwikkeling van kinderen bij te houden. In die zin kan ik een eind meegaan met de heer Bruijn. Aan dit punt moet de komende tijd extra aandacht worden gegeven.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 13 - blz. 8

De heer Bruijn (VVD): Daarom is het zo goed dat de staatssecretaris heeft toegezegd dat hij gaat monitoren of de leerdoelen van de maatschappelijke stage behaald blijven worden, wat mij betreft in de meest brede zin, zoals de staatssecretaris ook heeft toegezegd. Als dat niet het geval is, spreken wij elkaar weer. Dat geldt natuurlijk voor het gehele onderwijs. Waar een school de vastgestelde leerdoelen niet haalt, krijgt zij een uitdaging.

(...)

De heer Bruijn (VVD): Dat is een heel belangrijk punt, maar ik heb de staatssecretaris duidelijk horen toezeggen dat hij de leerdoelen, ook die van de maatschappelijke stage, in de breedste zin zal monitoren. Hij monitort dus de vraag of die leerdoelen worden gehaald. Dat stelt mijn fractie gerust. Dat is een zeer belangrijke randvoorwaarde voor haar. Overigens gold dat voor alle partijen die instemden met het rapport-Dijsselbloem en de daaruit getrokken conclusies. Een tweede belangrijke randvoorwaarde is natuurlijk dat de middelen beschikbaar blijven. De middelen die hiervoor beschikbaar komen in plaats van de financiering van de maatschappelijke stage overtreffen ruimschoots het bedrag dat nu met de maatschappelijke stage gemoeid is, dus ook dat geeft mij vertrouwen. Ik neem wel aan dat de staatssecretaris de vraag bij zijn monitoring betrekt of financiën een rol gaan spelen als scholen leerdoelen niet halen. Ik kan het mij haast niet voorstellen, want de scholen gaan er eerder op vooruit dan achteruit. Wil hij hierover nog iets zeggen?

Ik dank de staatssecretaris voor zijn toezegging om te gaan monitoren.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 13 - blz. 8

De heer Ganzevoort (GroenLinks): Tegen collega Bruijn zeg ik dat mij het toetsen van vorming erg ingewikkeld lijkt, in ieder geval als je een te harde vorm van toetsing wil uitvoeren. Naar de manier waarop een school vormgeeft aan de vormings- en leerdoelen kan wel degelijk worden gekeken. Dat lijkt mij ook van groot belang.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 13 - blz. 10

Mevrouw Vlietstra (PvdA): De staatssecretaris heeft de toezegging gedaan om te gaan monitoren.

(...)

Mevrouw Vlietstra (PvdA): Dan kom ik op mijn punt van de monitoring, een punt dat ik uitermate belangrijk vind. Ik stel het nog maar even zoals ik het heb begrepen. De inspectie gaat de komende twee schooljaren de wijze waarop de scholen invulling geven aan de burgerschapstaak in ruime zin monitoren. Maar daarbinnen, heb ik begrepen van de staatssecretaris — ik hoor graag of ik dat goed begrepen heb — wordt ook gemonitord waar wel en waar niet, en om welke reden wordt gekozen voor doorgaan met de maatschappelijke stage of voor niet-doorgaan, of waar juist voor alternatieven wordt gekozen. Als ik die toezegging zo mag uitleggen, ben ik daar tevreden over.

(...)

Handelingen I 2013-2014, nr. 33, item 13 - blz. 12

Staatssecretaris Dekker: Er zullen scholen zijn die het op een heel andere manier doen. Er zullen scholen zijn die het misschien niet voor 30 uur doen maar voor meer uren, of die het voor iets minder uren doen met nog iets eromheen. Sommige scholen zullen er heel iets anders van maken. Ik zie dat niet onmiddellijk als een probleem, zolang maar goed aan de burgerschapsopdracht wordt voldaan. Ik heb toegezegd dat we dat goed in de gaten houden.

(...)

Staatssecretaris Dekker: Ik kom daarmee direct bij het punt dat de heer Bruijn aankaartte over de financiën en dat mevrouw Vlietstra heel nadrukkelijk in haar betoog aanhaalde: hoe zit het met de financiële ruimte? Dat wil ik in ieder geval meenemen in het onderzoek: wat is precies de reden als scholen ermee stoppen en in hoeverre hangt dat samen met de financiën? Ik heb al wat gezegd over de financiële ruimte die er gaat ontstaan in de komende jaren. Bij scholen klotst het geld niet tegen de plinten aan. Scholen krijgen een sobere financiering, die in de komende jaren iets wordt verruimd. Dat noopt ze nog steeds tot kritische keuzes. Ook als ze door willen gaan met een maatschappelijke stage, zal er steeds gekeken moeten worden hoe dat op een verstandige manier kan worden gedaan zonder dat er geld over de balk wordt gesmeten. Ik denk dat dit kan. Ik zou daarbij niet onmiddellijk de weg van partnerschappen willen afsnijden, omdat het interessant kan zijn dat gemeenten meedoen. Bovendien kan het voor maatschappelijke organisaties interessant zijn om hier iets in te betekenen. Daar moet het niet onmiddellijk van afhankelijk zijn, maar soms kan de financiële bijdrage wel iets zeggen over het commitment van andere partijen om daaraan deel te nemen.

Mevrouw Vlietstra stelde een vraag over de onderzoeksopdracht. Ik ga die niet herhalen, want zij vatte die opdracht heel erg goed samen. Mijn antwoord daarop is volmondig "ja, dat gaan we doen".


Brondocumenten


Historie