Plenair Van Gurp bij behandeling Betaald ouderschapsverlof



Verslag van de vergadering van 5 oktober 2021 (2021/2022 nr. 2)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.08 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Gurp i (GroenLinks):

Voorzitter. We spreken vandaag over de Wet betaald ouderschapsverlof. Tot nu toe is ouderschapsverlof in Nederland iets waar je wel recht op heb, maar waar je zelf de kosten van moet dragen — tenzij het anders is geregeld in de cao, maar er zijn niet heel veel cao's die dat anders regelen. Het voorliggend wetsvoorstel maakt daar een einde aan. Om maar bij het einde te beginnen: wij vinden dat buitengewoon goed nieuws. In het voorstel wordt geregeld dat voor beide partners de eerste negen weken ouderschapsverlof betaald zijn, op een nader te bepalen niveau. Op het laatste kom ik zo meteen nog terug.

Het moet ons van het hart dat hier wel een zetje van de Europese Unie voor nodig is geweest. Er is weleens debat over of de Europese Unie zich wel met sociaal beleid moet bemoeien. Wat ons betreft is dit een goed voorbeeld van het feit dat de EU ook op sociaal terrein richtlijnen uitvaardigt die lidstaten tot een positieve gedragsverandering aanzetten. Dat betrekken we altijd heel graag op andere landen, maar we moeten dat in dezen ook op onszelf betrekken.

De centrale motieven van de EU-richtlijn en het wetsvoorstel worden door de fractie van GroenLinks volledig onderschreven. Kort samengevat zijn het er twee. Het eerste is een beter evenwicht tussen werk en privéleven en het tweede is het bevorderen van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het laatste gebeurt door de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen te vergroten en inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen weg te nemen. Daar kun je het alleen maar mee eens zijn. Wij zijn het daar in ieder geval hartgrondig mee eens. Dat was het goede nieuws.

Kijken wij vervolgens naar de uitwerking die het wetsvoorstel hieraan geeft, dan zijn wij een stuk minder positief. Onze zorg, dat zal niemand verbazen, richt zich op het gekozen betalingsniveau. Niet zomaar, omdat wij een paar procentjes meer of minder willen, maar omdat het gekozen betalingsniveau een directe relatie heeft met een goede werking van de wet, dus met de vraag of deze wet gaat doen waarvoor ze in het leven wordt geroepen. Wij hebben daar grote zorgen over en wij staan daarin niet alleen. Van diverse kanten, onder andere door de Stichting van de Arbeid, is grote zorg uitgesproken over het feit dat de Nederlandse regering kiest voor een doorbetalingsniveau van 50%.

De kernvraag is of met die 50% de doelen van de wet wel gehaald gaan worden. Dat is geen vraag van linkse of rechtse partijen. Ik heb het debat in de Tweede Kamer goed gevolgd en ik zie eigenlijk dat die vraag breed gedeeld wordt. Eigenlijk is de redenering supereenvoudig: hoe harder je je inkomen nodig hebt, hoe minder geneigd je zal zijn om gedurende negen weken — en al helemaal niet allebei — de helft van je inkomen in te leveren. Die luxe kan lang niet iedereen zich permitteren.

Wat is dan dus de valkuil? De valkuil is enerzijds dat deze regeling prima werkt voor mensen die toch geld genoeg hebben. Overigens is ook hun is betaald ouderschapverlof gegund, maar daarmee vergroot je eigenlijk bestaande tegenstellingen.

Het tweede risico is dat door de huishoudens die aanmerkelijk minder te verteren hebben, geredeneerd wordt: laten wij het maar voor een van de twee doen, en dan degene die het minste verdient — en dat is in veel gevallen de vrouw. Dus terwijl de bedoeling eigenlijk is om de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen te bevorderen, zou het weleens kunnen dat genderongelijkheid juist versterkt wordt in plaats van verzwakt. Dat is nogal wat. Dat staat op gespannen voet met de doelstelling van de wet. Daarmee is dit punt onderdeel van het hart van dit debat in de Kamer.

Wat wil GroenLinks? Nou, GroenLinks wil gewoon 100% doorbetalen. Dat klinkt een beetje utopisch, maar dat is het helemaal niet, want dat doen we bij zwangerschapsverlof ook. Dat is helemaal niet iets geks wat wij nu verzinnen. Dat is heel wel mogelijk. Zo voorkom je dat mensen met een laag inkomen voor de cynische keuze komen te staan of om de beurt maar voorbij te laten gaan ofwel gedurende twee maanden of twee keer twee maanden op of zelfs onder het bestaansniveau te moeten leven.

Nou becijfert u in de antwoorden op vragen die we daarover hebben gesteld, dat dat 900 miljoen extra zou kosten. Eerlijk gezegd kwam ik daar niet helemaal uit, dus graag daar nog wat meer duiding. Het komt ons erg hoog voor, omdat de uitvoeringskosten van het voorstel zoals het nu voorligt, 350 miljoen zijn. De tweede 50% zou daar nog eens 900 miljoen extra bovenop doen. Dat is nogal wat!

De tweede vraag die we hebben, is of in die becijfering ook de positieve arbeidsmarkteffecten zijn meegenomen. Als je 100% doorbetaalt, dan kun je ervan uitgaan dat het gebruik ook nagenoeg 100% zal zijn en dat dus de doelstellingen die de wet beoogt, in optima forma tot hun recht gaan komen: dus ook meer gelijkheid, meer arbeidsmarktparticipatie en daarmee alle economische effecten. Het is natuurlijk ingewikkeld, maar toch vinden wij dat in de som die cijfers meegenomen moeten worden. Dat over onze wens.

Maar u kent ons inmiddels als geen ander. Wij zijn realist. We zien dat we voor die 100% de handen niet op elkaar krijgen. Maar voor 70% van het dagloon zou het weleens wel mogelijk kunnen zijn om de handen op elkaar te krijgen. Dat is in de sociale zekerheid een algemeen gebruikelijk percentage; die 50% veel minder. Natuurlijk doen zich ook bij 70% doorbetaling negatieve effecten voor, maar in ieder geval in veel mindere mate dan bij 50%. Dat zou dus een aanmerkelijke stap in de goede richting zijn. De meerkosten daarvan zouden ongeveer een kleine 200 miljoen bedragen. Dat komt dan toch ook alweer een stuk meer binnen het bereik van het haalbare.

Er is in de Tweede Kamer uitvoerig over gesproken. Na het debat kwam er een derde nota van wijziging. Daarin staat dat weliswaar het percentage op 50% wordt bepaald, maar dat bij koninklijk besluit dat percentage nog voor inwerkingtreding van de wet naar 70% verhoogd kan worden. Dat is natuurlijk buitengewoon interessant. Het is ook een curieuze vertaling, als ik zo vrij mag zijn. Want tussen nu en inwerkingtreding van de wet kunnen geen ervaringen met die wet worden opgedaan. Je kunt dus niet zeggen "de evaluatie leert ons dat ...". Als het dus niet op basis van ervaringen is, dan is het zuiver een kwestie van politieke wil. En als het een kwestie van politieke wil is, dan lees ik eigenlijk: hier hoeft u niet te bevestigen, maar ook liever niet te ontkennen. Ik lees eigenlijk dat de minister zegt: ik krijg het niet geregeld, maar hopelijk mijn opvolger wel. Zo staat het in die passage. Maar dan wil ik natuurlijk de minister graag helpen, of zijn opvolger, zijn rechtsopvolger. Wellicht zou de Kamer de minister daar ook wel graag bij willen helpen. Dus wij overwegen, gehoord het debat, een motie in te dienen om de bepaling die in de wet staat, dat bij KB het percentage van 50% naar 70% kan worden verhoogd nog voor inwerkingtreding van de wet, voorzien medio volgend jaar, uit te voeren en de regering, het kabinet op te roepen om inderdaad naar die 70% te gaan, dus actief invulling te geven aan het percentage. Ik zeg "we overwegen een motie in te dienen". Ik luister natuurlijk ook graag naar het debat. Maakt het geen schijn van kans, ja, dan kunnen we het voor de bühne wel doen, maar als ik zo eens kijk naar wat er in de Tweede Kamer over is gezegd en de opening die u in de derde nota van wijziging geeft, dan zou het zomaar eens de goede kant op willen gaan. Wellicht vindt u het ook interessant om daar het oordeel van de Kamer over te horen in plaats van daar per se een eigen advies over te geven. Dat zou onze suggestie zijn.

Dan kom ik bij mijn slotvragen. In een tussenzin heb ik het al gevraagd. Hoe zitten nou eigenlijk de positieve maatschappelijke effecten verdisconteerd in de berekening van de kosten? Ik begrijp dat dat ingewikkeld is, want daar zitten natuurlijk allerlei aannames in. Maar ja, dat heb je zo met modellen, dat het aannames zijn. Wij begrijpen — maar mijn vraag aan u is of we dat goed begrijpen — dat die nu niet in de berekeningen zitten, omdat de cijfers niet eenduidig zijn. U zegt ook monitoring toe. We zouden in ieder geval kunnen afspraken dat in de monitoring en uiteraard ook in de evaluatie de positieve maatschappelijke effecten wel zo veel als redelijkerwijs mogelijk ook gekwantificeerd en daarmee verdisconteerd worden in de som.

Samenvattend: een goede richting, maar jammer genoeg buitengewoon halfslachtig. Het is zelfs letterlijk halfslachtig, want je gaat op 50% zitten. Daar missen we kansen mee en daarmee dreigt de wet zijn doelen te missen. Dat is eigenlijk een breed gedragen opvatting, en wij hopen dat wij aan die breed gedragen opvatting hier gevolg kunnen geven door als Kamer zo breed mogelijk te zeggen: wees verstandig; je hebt de deur opengezet naar die 70%, dus zet hem ook verder open. Daarnaast vragen wij vanzelfsprekend om niet te lang te wachten met evalueren. U heeft de evaluatietermijn al van vijf naar drie jaar gebracht. Nou, gaan we op 70% zitten, dan vind ik die drie jaar prima, maar mochten we onverhoopt toch op die 50% blijven zitten, dan zou ik zeggen: haal die evaluatie ook wat verder naar voren. Dan is dat namelijk het eerstvolgende gelegen moment om met wat meer feiten in de hand deze discussie opnieuw met elkaar te voeren. We wachten met buitengewoon veel interesse het antwoord van de minister af, en uiteraard ook de bijdragen van de andere partijen, die ongetwijfeld woorden zullen spreken op hetzelfde thema.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Gurp. Dan is nu het woord aan mevrouw Stienen namens de fractie van D66.