Plenair Pijlman bij behandeling Wijziging van de Mediawet 2008



Verslag van de vergadering van 2 februari 2021 (2020/2021 nr. 22)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 9.54 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Pijlman i (D66):

Dank u wel, voorzitter. In de vorige zittingsperiode van de Eerste Kamer bespraken we de wijzigingen van de Mediawet, waar de senaat toen grote moeite mee had. Het ging hier toen ook met name om het amendement-Aartsen/Van der Molen dat het voor politici onmogelijk maakt om nog een actieve rol te spelen in het bestuur van de publieke omroep.

De voorzitter:

Excuus, meneer Pijlman, een moment.

Ik zie dat enkele leden te dicht bij elkaar staan. Als u de 1,5 meter toch niet kunt handhaven, zet u dan op zijn minst allebei een mondkapje op, ook voor uw eigen veiligheid. Maar het heeft de voorkeur, als u functioneel in de zaal moet zijn omdat u aan het debat deelneemt, wat natuurlijk uw recht is, om dan in ieder geval 1,5 meter afstand te houden voor uw eigen veiligheid en ook voor de veiligheid van uw collega's. Meneer Pijlman, vervolgt u uw betoog.

De heer Pijlman (D66):

Voorzitter, ik zei net, het ging hier met name om het amendement-Aartsen/Van der Molen dat het voor politici onmogelijk maakt om nog een actieve rol te spelen in de publieke omroep. Uiteindelijk dwong de senaat een novelle af, na voorlichting bij de Raad van State, die tot de conclusie kwam dat het amendement in strijd was met zowel de Grondwet alsmede met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat is niet niks. Zonder de inzet van een aantal leden van deze Kamer was er een wet gepasseerd die in strijd was met de grondbeginselen van de rechtsstaat.

Dat brengt mij ook tot de vraag aan de minister om eens op die situatie te reflecteren. Kreeg de toenmalige staatssecretaris de juiste informatie van zijn ambtenaren van OCW, of negeerde hij de adviezen en gaf hij zijn eigen interpretatie toen hij het oordeel Kamer gaf?

Voorzitter. Met het indienen van de novelle is gewacht totdat onder andere ook de nieuwe dienstenprocedure is afgerond en de positie van de Ster is verduidelijkt. In het vorige debat over de Mediawet hebben we het gehad over de indexering van de rijksbijdrage. Ook ik ontkom er niet aan om het daarover te hebben. Stond de Ster daarbuiten, of vallen de Ster-inkomsten binnen die indexering? Mevrouw Veldhoen, die het helemaal uitgespit heeft, zei toen: ik leg me neer bij de uitspraken van de rechter. De Ster-inkomsten worden ook geïndexeerd conform het door de Tweede Kamer toen aangenomen amendement. Nu zien we echter in dit wetsvoorstel dat uw artikel 2.148a dat alleen doet voor 2020/21 maar dat u daarna de Ster-inkomsten niet wilt indexeren. U geeft daarbij een uitleg aan het amendement-Van Dam waar — het is eerder gezegd — de nodige vraagtekens bij gezet kunnen worden. U geeft niet de juiste informatie in de memorie van toelichting. Het ging niet om een technische aanpassing. Het is dan ook duidelijk dat ook ik hier verduidelijking vraag. Wij zitten overigens, zeg ik maar op voorhand, niet te wachten op een bezuiniging op de publieke omroep.

Voorzitter. Over de governance van de Ster zijn twee rapporten verschenen. Ik zou graag van de minister nog eens de weging willen horen wat hij wel en wat hij niet heeft overgenomen en met welke argumenten.

En dan het tweede voorstel. Anderen hebben er ook over gesproken. We komen allemaal op dezelfde punten. U introduceert de nieuwe dienstenperiode en de Autoriteit Consument en Markt ACM krijgt daarin de opdracht om een markteffectenanalyse te maken bij de aanvraag van de nieuwe aanbodkanalen. Op zich snappen we, waarschijnlijk onder druk van de commerciële omroepen, dat u dit introduceert. Maar het lijkt de procedure weer bureaucratischer te maken en daarmee de uitkomst van de procedure te vertragen, terwijl de termijnen die ervoor staan nu al bij lange na niet gehaald worden. Zes maanden staat ervoor, maar in antwoord aan GroenLinks en Partij van de Arbeid geeft u toe dat dit de afgelopen jaren bij lange na niet is gehaald. U schrijft in de memorie van antwoord dat de nieuwe procedure niet tot vertraging gaat leiden maar tot versnelling. Daar zou ik dan heel graag een verduidelijking op willen. Wij kunnen ons dat nauwelijks voorstellen. U geeft aan dat de nieuwe dienstenprocedure leidt tot een toename van de regeldruk bij onder andere de marktpartijen die op verzoek van de ACM dan weer gegevens moeten aanleveren voor de uitvoering van de markteffectenanalyse. Dan ligt vertraging toch voor de hand? Een aanvraagprocedure van zes maanden vind ik al vrij lang, maar te billijken als het daarbinnen zou blijven. Maar voor NPO Soul & Jazz duurde dit twee jaar en voor NPO Kennis één jaar. Dat is veel te lang als we, zoals het regeerakkoord zegt, juist willen dat de publieke omroep snel in kan spelen op de nieuwe ontwikkelingen in het medialandschap. Dat geldt ook omdat het medialandschap steeds internationaler wordt en er dus ook meer flexibiliteit noodzakelijk is.

In artikel 2.21 is daarom ook dat experimenteerartikel opgenomen. Maar dat is van tijdelijke aard en kan niet gepaard gaan met een directe aanvraag, omdat het is bedoeld om te bepalen of er wel marktvraag is. Hangende de procedure mag er dan wel weer worden doorgegaan met het experiment. Waarom niet direct een aanvraag en als duidelijk is dat er marktvraag is ook meteen de procedure? Dat zou een en ander heel erg kunnen versnellen. Graag een reactie.

Voorzitter. In het vorige debat over de publieke omroep hebben we het gehad over nieuwe aanbieders die het publieke bestel binnen willen komen. Kan de minister ons de laatste stand van zaken geven? Wie heeft nu de eerste horde genomen? En blijven ook de huidige aspirant-omroepen binnen het bestel?

Wie de ontwikkelingen de afgelopen weken volgde, vielen twee incidenten op rondom de aspiranten die de eerste horde lijken te hebben genomen. De oprichter van Omroep ZWART gedroeg zich zeer onbehoorlijk in de studio van de EO; dat belooft wat. En volgens Pointer, een programma van KRO-NCRV, publiceerde omroep Ongehoord Nederland een videorapportage van 37 minuten met 28 onjuiste en niet-bewezen beweringen over COVID-19. In zijn maidenspeech vorige week wees onze collega Ton Raven van de OSF op het gevaar van desinformatie. Daarom vraag ik ten slotte aan de minister welke garanties het huidige bestel biedt dat er geen desinformatie via de publieke omroep wordt verspreid. Wij hoeven niet een publiek bestel dat trumpiaanse leugens verspreidt en daarmee onbetrouwbaar wordt. Waakzaamheid is ook hier nodig. Welke middelen hebben de NPO en de minister ter beschikking om normen en waarden van de rechtsstaat te waarborgen bij de publieke omroep? Kunnen er bijvoorbeeld boetes worden uitgedeeld wanneer omroepen bewust desinformatie verspreiden? Dienen zij die desinformatie dan ook te corrigeren? De D66-fractie zou het onderzoek naar de veiligheid van journalisten, dat mij in het vorige debat is toegezegd, graag willen verbreden met deze aspecten. Kan de minister ons dat toezeggen? In alle diversiteit die de publieke omroep kenmerkt, is er geen ruimte voor moedwillige leugens. Wij zien dan ook met belangstelling uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Pijlman. Dan is het woord aan de heer De Vries namens de fractie-Otten, maar de heer Van Kesteren heeft eerst nog een interruptie.

De heer Ton van Kesteren i (PVV):

De heer Pijlman heeft het over het bewust verspreiden van leugens en desinformatie. Hij pleit voor een stevige boete daarop. Gaat de heer Pijlman ervan uit dat er bij de publieke omroep geen leugens of desinformatie worden verspreid?

De heer Pijlman (D66):

Het is eigenlijk niet zo heel interessant wat ik en u en zelfs de minister daar als politicus van vinden. Het is van belang wat het publiek ervan vindt. We hebben een publieke omroep en die heeft verschillende taken. Door de diversiteit aan omroepen kunnen er allerlei meningen in de programmering naar voren komen. Tegelijkertijd kunnen de NOS en de NPO via het journaal en journalistieke producten zo objectief mogelijke informatie geven. U zult het ook gelezen hebben; het is ontzettend verheugend om in het onderzoek van Motivaction, dat net deze week is uitgekomen, te zien dat het vertrouwen in dat objectieve nieuws van de NOS enorm hoog is. Twee derde van de Nederlanders waardeert die informatie het hoogst en heeft daar het meeste vertrouwen in. Twee programma's springen eruit: het NOS Journaal en het NOS Radio 1 Journaal. Het is een heel breed onderzoek. Ook Nieuwsuur scoort heel hoog. Twee journalisten scoren het allerhoogst in die objectiviteit van het nieuws. Dat is een enorm compliment aan die publieke omroep. En dan moeten we ons straks nog voorbereiden op uw grote lieveling Ongehoord Nederland, terwijl ik juist vind dat niet alles in Nederland gehoord hoeft te worden. Maar dat is een heel andere benadering.

De voorzitter:

Meneer Van Kesteren, heeft u nog een vraag over het wetsvoorstel? Want anders geef ik u niet het woord.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Dan wil ik de heer Pijlman toch … Ik reageer op zijn betoog. Dat is naar mijn idee …

De voorzitter:

Nee, nee, nee. Ik geef u graag het woord voor een vraag over het wetsvoorstel dat op de agenda staat, maar dit is geen beleidsdebat over de media. Dus als u een technische vraag over het wetsvoorstel heeft: graag.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Het wetsvoorstel gaat over de invloed van besturen bij de publieke omroep op de journalistieke norm en de programmering in het publieke bestel. Mijn vraag aan de heer Pijlman … U heeft het terecht over pluriformiteit en het belichten en onder de aandacht brengen van verschillende standpunten. De ervaring leert dat dat bij de publieke omroep eenzijdig gebeurt en dat andere standpunten en meningen — u noemt dat "leugens" — hun weg vinden via social media. Vindt u ook niet dat het publiek het recht heeft op een zo breed mogelijke informering?

De voorzitter:

Meneer Pijlman, graag een kort antwoord.

De heer Pijlman (D66):

Ja, maar dat is een herhaling van zetten. Het publiek vindt dus ook — leest u het onderzoek van Motivaction er eens op na — dat het in ons publieke bestel objectief wordt geïnformeerd, beter dan via alle andere mediakanalen die er zijn, …

De voorzitter:

Dat hadden we al gehoord.

De heer Pijlman (D66):

… en dat is een groot compliment. Dus u wordt op uw wenken bediend.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik ga een eind maken aan deze discussie.

Dan gaan we naar de heer De Vries namens de fractie-Otten.