Plenair Verheijen bij behandeling Minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld



Verslag van de vergadering van 9 oktober 2018 (2018/2019 nr. 3)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.35 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Verheijen i (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben in korte tijd heel veel informatie ontvangen van de regering met betrekking tot onderdelen van de gaswinningsproblematiek in het Groningenveld. Ik noem de brieven van 1 en 5 oktober jongstleden rondom de schadeaanpak, het hoofdlijnenakkoord, het Nationaal Programma, de technische voorlichting van Staatstoezicht et cetera.

In dat kader zou ik mijn betoog vandaag op vier punten willen toespitsen. Het eerste punt is de de vastlegging van het einddoel van de afbouw van de gaswinning. Het tweede punt is de de betrokkenheid van het parlement daarbij. Het derde punt is de weging van de belangen van veiligheid en leveringszekerheid. Het vierde punt is de kennelijke haast die de minister heeft met dit wetsvoorstel, terwijl de voorstellen voor een definitieve regeling van schadeafhandeling en de versterkingsoperatie er nog aankomen.

Voorzitter. Voor de Partij van de Arbeidfractie staat vandaag in dit debat de vraag centraal of het wetsvoorstel voldoet in termen van het bieden van rechtszekerheid en uitvoerbaarheid. In de beantwoording van de schriftelijke vragen geeft de minister van EZK extra informatie rond de procedures en de juridische positie van het rijk. Onze fractie wil de minister bedanken voor deze informatie, maar constateert gelijktijdig dat de beantwoording teleurstelt. In reactie op onze vragen rondom de gewenste wettelijke vastlegging van het basispad van afbouw van de gaswinning in dit wetsvoorstel stelt de minister dat de invulling bij ministeriële regeling zal plaatsvinden en dat de Staten-Generaal hierover geïnformeerd wordt. De brief van de regering aan de Tweede Kamer van 29 maart jongstleden schetst daarvoor het basispad, echter dat is slechts een voornemen, geen wetgeving.

Voorzitter. Er is hier sprake van twee stuurknoppen: de reductie van de gaswinning en de versterkingsoperatie. De eerste stuurknop wil de minister zelf bedienen; het afbouwritme dat jaarlijks wordt vastgelegd in de beslissing over de operationele strategie van de NAM is afhankelijk van zijn toekomstige beoordeling.

Op zich is het natuurlijk goed dat de minister ten volle heeft besloten dat de gaswinning naar nul gaat. Dat steunt mijn fractie ook voluit. De wet die vandaag echter voorligt, bevat geen concrete datum waarop de gaswinning naar 12 miljard kuub gaat. De wet bevat ook geen datum waarop de gaswinning wordt beëindigd. De Staten-Generaal als medewetgever kan wachten op een ministeriële regeling in een dossier met een zeer hoog maatschappelijk belang en bestuurlijke gevoeligheid. De Partij van de Arbeidfractie vindt dit echt een verantwoordelijkheid van de Staten-Generaal en de regering gezamenlijk. Wij constateren immers dat de voorgestelde wetgevingsmethode indruist tegen bestendige opvattingen van de Eerste Kamer inzake gedelegeerde regelgeving. De Eerste Kamer heeft de afgelopen twintig jaar veelvuldig en bestendig van de regering gevraagd om kernnormen van een wetgevingscomplex niet in gedelegeerde regelgeving neer te leggen, maar in de wet zelf ten behoeve van duidelijkheid en rechtszekerheid. Die is er nu niet. Graag een reactie van de minister.

Dit klemt des te meer daar de regering op onze vragen naar de vrijblijvendheid van haar aanpak ruiterlijk erkent dat zij ten behoeve van meer dwingende maatregelen nieuwe wetgeving nodig heeft. "Dit wetsvoorstel biedt geen basis om bij ministeriële regeling een dergelijke spoor voor te schrijven", schrijft de minister aan de Kamer. De conclusie dat de minister zowel formeel als materieel bijvoorbeeld ten aanzien van de reductietaakstelling voor de industrie in dit wetsvoorstel geen vaste basis legt, is daarmee onvermijdelijk. Is de minister het met ons eens dat dit zeer onwenselijk is? Zo ja, waarom heeft hij daar geen consequenties aan verbonden? Zo nee, waarom niet?

Ik kom bij mijn volgende punt wanneer het gaat om de voorspelbaarheid en de transparantie. De minister stelt in zijn laatste antwoord: "Het geven van voorrang aan de veiligheid van Groningers betekent namelijk niet dat ik geen afweging meer mag maken tussen veiligheid en de maatschappelijke gevolgen van leveringszekerheid." Dat bestrijden wij niet, maar wel hebben wij vragen over welke informatie en inzichten de minister nodig heeft ten aanzien van deze maatschappelijke gevolgen. Wat is de bandbreedte van de door hem ingeschatte noodzakelijke dan wel minimale leveringszekerheid voordat ernstige maatschappelijke gevolgen optreden, zo vragen wij de minister. Kan hij deze kwantitatief en kwalitatief duiden? En hoe worden deze geobjectiveerd in het afwegingsproces en inzichtelijk gemaakt?

De verwijzing naar de inventarisatie door Gasnet ontslaat de minister er niet van om bij zijn afweging een onderbouwde en gekwantificeerde analyse te maken van zijn stelling dat hij zich inzet voor een zo snel mogelijke afbouw zonder grote maatschappelijke ontwrichting. Schermen met termen als "leveringszekerheid" en "noodzakelijk" maakt de afweging op zichzelf niet inzichtelijk en navolgbaar. Dat de gasvraag elastisch is, wordt naar aanleiding van onze vragen daarover niet ontkend. In welke mate dit onderbouwd gaat worden gelet op de gewenste sturing door de minister blijft vaag. Sturing is door de minister immers niet verbonden aan fiscale of andere meer dwingende instrumenten. Op welke wijze de minister bij de afweging vervolgens voorrang gaat geven aan het veiligheidsbelang van de Groningers blijft onduidelijk. De totale gasvraag wordt gepresenteerd als een simpele optelsom van de behoefte van kleine en grote afnemers, bedrijven en huishoudens zonder nadere prioritering, en besparingsmogelijkheden; slechts de conversie met stikstof stuurt hierop.

Het baart de PvdA grote zorgen dat de aanvullende noodzakelijke maatregelen naar de toekomst worden geschoven. Immers, de minister schrijft: "Als in de komende jaren uit berekeningen volgens de vastgestelde methode zou blijken dat de risico's van de Groningse gaswinning toch te hoog zouden uitvallen (...) dan zal de overheid er alles aan doen om de risico's alsnog binnen de veiligheidsnorm en het bijbehorende risicobeleid te brengen." De minister moet het toch met ons eens zijn dat dit veel te vaag is en in het voorliggende wetsvoorstel zou moeten worden geregeld? Zo nee, waarom niet? Waarom kiest de minister niet voor een omgekeerde aanpak? Een vaststelling van de winningshoeveelheid uit het Groningenveld op basis van een inschatting van de ondergrens van leveringszekerheid zonder grote maatschappelijke ontwrichting wordt niet gepresenteerd, terwijl deze juist sturend zou kunnen zijn voor besparings- en rantsoeneringsmaatregelen in de diverse sectoren. Sturing op vermindering middels artikel 52d, lid 3 zou hiervoor een basis kunnen bieden naar de mening van de PvdA, bijvoorbeeld in plaats van een beroep op de Distributiewet of op de noodtoestand. Is de minister bereid hiervoor in de ministeriële regeling een kapstok te bieden?

De Raad van State heeft het vorige instemmingsbesluit onder meer vernietigd omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom zich geen omstandigheden voordoen die dwingen tot het winnen van minder gas dan noodzakelijk is om te voldoen aan de leveringszekerheid. Dit dreigt dit zich te herhalen. Slechts een verwijzing naar de op termijn te realiseren norm van 1:100.000 lijkt ons niet voldoende. De effectuering van deze norm is immers niet in het onderhavige wetsvoorstel uitgewerkt en de toezeggingen van de minister roepen veel vragen op, met alle gevolgen van dien voor de juridische houdbaarheid van de beslissing van de minister voor het komende gasjaar. Graag een reactie van de minister.

Ik kom tot een afronding. Mijn fractie plaatst grote vraagtekens bij de gewenste rechtszekerheid en uitvoerbaarheid die dit wetsvoorstel moet bieden. Bovendien vinden we dat het parlement als medewetgever nauwer betrokken moet zijn bij de vastlegging van de afbouw van de gaswinning in het Groningenveld. Natuurlijk moet de winningshoeveelheid naar beneden; de minister kiest er in dit wetsvoorstel echter niet voor om de sturingsmogelijkheden voldoende juridisch vast te leggen. Dit roept de vraag op waarom over dit wetsvoorstel nu met stoom en kokend water moet worden gestemd, gelet op het feit dat belangrijke wetsvoorstellen rond schade-afhandeling en versterking nog moeten volgen en het concept-instemmingsbesluit reeds in procedure is.

Wij kijken uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Verheijen.

Het woord is aan mevrouw Teunissen.