Plenair Quik-Schuijt bij behandeling Wet forensische zorg



Verslag van de vergadering van 1 april 2014 (2013/2014 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.17 uur


Mevrouw Quik-Schuijt i (SP):

Voorzitter. Ik heb praktisch dezelfde inleiding als mijn voorganger. De geschiedenis van dit wetsvoorstel gaat terug naar juli 2004, toen deze Kamer de door alle fracties ondertekende motie-Van de Beeten c.s. (28979, letter E) aannam. Het heeft even geduurd, maar wie denkt dat het wetgevingsproces ten slotte grondig is voorbereid, zodat het voorstel vlot en soepel beide Kamers kan doorlopen, komt bedrogen uit.

Ik zal drie onderwerpen behandelen. Ik ga kort in op het wetgevingsproces. Vervolgens bespreek ik de bevoegdheden van de minister van Justitie met betrekking tot particuliere instellingen en daaraan gekoppeld de verhouding tussen tbs en de Wet BOPZ, later de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Ten slotte komen de weigerende observandi aan bod.

Ik heb mijn inleiding wat ingekort, omdat deze praktisch hetzelfde was als die van mijn voorganger. Daarvoor in de plaats wil ik graag twee zorgpunten uit het veld die ik helaas vergeten ben om op te nemen in mijn uitgeschreven tekst, alsnog naar voren brengen. Ook op die twee punten wil ik graag een antwoord van de regering ontvangen. Ten eerste. Op welke wijze kan de regering de zorgcontinuïteit voor mensen met een verstandelijke beperking na afloop van een strafrechtelijk titel garanderen? Ten tweede. Hoe gaat de staatssecretaris bevorderen dat aansluitend de zorg zoals aangegeven in artikel 2.5 van de Wet forensische zorg in de Wmo 2015 wordt geregeld? Hoe worden de gemeenten ondersteund bij de voorbereiding hiervan? Op deze vragen wil ik graag namens het veld antwoord krijgen.

De motie-Van de Beeten, de commissie-Houtman en de commissie-Visser hebben alle goed werk gedaan. In 2010 werd het wetsvoorstel ingediend. De toename van weigerende observandi bracht de staatssecretaris ertoe om, aanvullend, voor te stellen om in hun geval het beroepsgeheim van de arts te doorbreken, zodat over reeds aanwezige medische gegevens van de observandus kon worden beschikt. In geval van niet-meewerken aan pro Justitia-rapportage kan zodoende toch een tbs worden opgelegd; een volstrekt novum in het wetgevingsproces. Hierover adviseerde de Raad van State negatief en ook de Tweede Kamer kon hier niet mee instemmen.

Dit leidde tot de tweede nota van wijziging, die twaalf pagina's wijzigingsvoorstellen bevatte. Er werd daarin een zware procedure opgetuigd om die medische gegevens toch, zonder toestemming van de patiënt en van de arts, te verkrijgen. De Raad van State noemde dit een ingrijpend voorstel en stelde voor, deze doorbreking van het medisch beroepsgeheim in een afzonderlijk wetsvoorstel op te nemen en dat voorstel eerst aan de geëigende adviesorganen voor te leggen. Zoals de laatste jaren onzes inziens te vaak gebeurt, werd dit advies genegeerd. De adviesorganen kregen één week de tijd om te reageren.

De SP-fractie vindt een dergelijke handelswijze met betrekking tot een zo principieel punt ontoelaatbaar. Wij willen graag horen wat de staatssecretaris hiertoe heeft gedreven. Vanwaar de haast? Zag de staatssecretaris op tegen het extra werk dat een splitsing met zich mee zou brengen? Of speculeerde de staatssecretaris erop dat op deze manier de kans groter was dat het parlement, vanwege de fase waarin het wetgevingsproces zich inmiddels bevond, toch maar door de knieën zou gaan? Graag een antwoord.

Dan kom ik te spreken over de bevoegdheden van de minister van Justitie. De minister van Justitie mag het beheer van een private instelling overnemen en de directeur schorsen of ontslaan. Voorts dient de instelling toestemming van de minister te verkrijgen voor het kopen, vervreemden of bezwaren van onroerend goed, stelt de minister de DBBC's (Diagnose Behandel en Beveiliging Combinatie) vast en vraagt hij indicaties aan, die vervolgens worden afgegeven door een instantie die onder zijn eigen, directe verantwoordelijkheid werkt. Dit is slechts een bloemlezing uit de stapeling van bevoegdheden die volgens het wetsvoorstel toekomen aan de minister van Justitie met betrekking tot de private instelling. Wel moeten in die instelling "in meerderheid" tbs'ers verblijven, althans volgens de wetsbehandeling; in de wet zelf staat dit niet. Kan de minister om die reden nog eens klip-en-klaar bevestigen dat hij slechts gebruik zal maken van alle hem in dit wetsvoorstel gegeven bevoegdheden als de bezetting voor meer dan de helft, of 75% zoals in de stukken wordt gesteld, uit tbs'ers bestaat? Hoe vaak schat de staatssecretaris dat hiervan sprake zal zijn? Wat zal de consequentie zijn van die situatie voor het leefklimaat in de betrokken instelling? Is de staatssecretaris niet bang dat vrijwillig geplaatsen en zelfs BOPZ-patiënten die instelling zullen willen mijden? Is het niet verstandiger om te trachten, tbs'ers zo veel mogelijk te spreiden over de particuliere instellingen? Als dat lukt, kan de staatssecretaris dan garanderen dat hij de zelfstandigheid van de particuliere instelling, waarin dus geen meerderheid aan gedetineerden verblijft, op alle fronten zal respecteren?

Wij hebben hierover nog enkele aanvullende vragen. Ook nu worden tbs-gestelden "bij voorkeur" in particuliere inrichtingen verpleegd (art. 37d Sr). Het wetsvoorstel dient ertoe om de beschikking te hebben over meer soorten behandeling, in het belang van de tbs'er; zien wij dat goed? Dit kan gerealiseerd worden door plaatsen in te kopen in particuliere instellingen waarin patiënten worden verpleegd die geen strafrechtelijke titel hebben. Het kan dan gaan om vrijwillige plaatsingen en om verplichte plaatsingen ingevolge de wet BOPZ, straks de Wvggz. Waar ik het in het vervolg heb over "tbs" bedoel ik "tbs met verpleging" en waar ik het heb over de "Wet BOPZ" bedoel ik ook in de toekomst de Wet verplichte ggz.

Is het juist dat de criteria voor het opleggen c.q. verlengen van tbs aan de ene kant, en BOPZ aan de andere kant identiek zijn, namelijk gevaar voor anderen en gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ten gevolge van een stoornis? Zo ja, wat maakt dat de minister van Justitie de genoemde extra bevoegdheden nodig heeft, naast de bevoegdheden uit de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, die immers onverkort van toepassing is? Ziet de staatssecretaris met ons het gevaar van een stapeling van bevoegdheden bij de minister van Justitie in een particuliere instelling?

Ik kom aan mijn hoofdpunt, het doorbreken van het medisch beroepsgeheim. Het probleem is dat tbs niet kan worden opgelegd als er geen stoornis is, en een stoornis is, in het algemeen, voor een rechter moeilijk vast te stellen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het opleggen van tbs zonder pro Justitia-rapportage onder omstandigheden mogelijk is? Dat zal echter uitzondering blijven. Vast staat dat er een tendens waarneembaar is dat verdachten liever een langere straf hebben dan een kortere straf met tbs. Dit is niet verwonderlijk als je weet dat de gemiddelde duur van de tbs 9,8 jaar bedraagt. Je toekomst is daarmee volstrekt onzeker. Advocaten adviseren hun cliënten dan ook steeds vaker om niet mee te werken aan een gedragskundige rapportage. Daar is niets mis mee; het is de plicht van de advocaat zijn cliënt te wijzen op alle aspecten van de zaak, ook op dit aspect.

De eerste vraag op dit punt is hoe het komt dat verdachten steeds vaker medewerking aan rapportage over hun geestelijke gesteldheid weigeren. De tweede vraag is wat dit betekent voor de veiligheid van de samenleving. Het antwoord op de eerste vraag heb ik al gegeven: de gemiddelde duur van de tbs is de laatste twintig jaar flink gestegen; de gemiddelde opnameduur is thans bijna tien jaar en kan zelfs levenslang zijn. Op de longstay je leven zien wegsterven is geen lonkend perspectief. Het antwoord op de tweede vraag is in mijn ogen eveneens simpel, namelijk "er is geen enkele toegevoegde waarde". Er is geen enkele consequentie voor de veiligheid van de samenleving, maar daar is de staatssecretaris het tot nog toe niet mee eens. Ik hoop hem alsnog te kunnen overtuigen. Ik licht dit als volgt toe: de veroordeelde die heeft gekozen voor een straf zonder tbs kan nog gevaarlijk zijn als die straf erop zit. Hij is immers niet behandeld. Hij kan dan, aansluitend, gedwongen opgenomen worden met een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ. De staatssecretaris acht de samenleving daarmee niet voldoende beveiligd. Daar gaan mijn volgende vragen over.

Is de staatssecretaris het met ons eens dat de criteria voor het opleggen van tbs met verpleging en voor de rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ identiek zijn? Zo nee, wat is het verschil?

Indien de criteria identiek zijn, waarom zou iemand die nog gevaarlijk is maar bij wie de proportionaliteit tussen de straf of maatregel en het gepleegde strafbare feit inmiddels ver te zoeken is, niet onder vigeur van genoemde civielrechtelijke maatregel zodanig kunnen worden opgevangen dat de maatschappij evengoed als in het geval van tbs beveiligd is?

In de memorie van antwoord noemt de staatssecretaris als reden om per se een tbs te willen en niet te kunnen volstaan met een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ dat niet hij maar de geneesheer-directeur bevoegd is de maatregel te beëindigen. Is dit juist? Is het niet de rechter die beslist over de beëindiging van de tbs? Is dat het enige motief om het zo belangrijk te vinden dat tbs na gevangenisstraf kan worden opgelegd, zelfs met doorbreking van het medisch beroepsgeheim? Zo ja, zijn er dan cijfers bekend over gevallen waarin een geneesheer-directeur of een rechter een BOPZ-patiënt naar huis heeft laten gaan terwijl dat vanuit de beveiliging van de samenleving onverantwoord was? Zo nee, waarop baseert de staatssecretaris dan zijn wantrouwen tegen die geneesheer-directeur of die rechter? Waarop baseert hij zelf zijn oordeel over een tbs'er, als hij al bevoegd is tot beëindiging? Is hij dan niet afhankelijk van het gedragswetenschappelijk oordeel van de kliniek?

Met deze drieledige vraag wijs ik op pagina 2 van de memorie van toelichting, waarin de ministers Hirsch Ballin en Klink wijzen op de conclusies van de werkgroep-Houtman, die door de commissie-Visser grotendeels in haar advies zijn verwerkt en welke het toenmalige kabinet heeft overgenomen. De passantenproblematiek, zo lezen wij daar — dat wil zeggen de lange wachttijd voordat terbeschikkinggestelden naar een tbs-kliniek kunnen — kan worden opgelost doordat ggz-instellingen daadwerkelijk tbs'ers gaan opnemen. Deze instellingen moeten zodanig worden gefinancierd dat zij ook daadwerkelijk tot opname overgaan. Geen woord over extra bevoegdheden van de minister om de samenleving voldoende te beveiligen. Als probleem wordt de bekostigingssystematiek genoemd.

Terug naar de vraag hoe erg het is als een verdachte niet meewerkt aan pro Justitia-rapportage. Vaststaat dat indien tijdens de detentie een stoornis aan het licht komt waarvoor behandeling nodig is, de veroordeelde kan worden overgebracht naar een penitentiair psychiatrisch centrum. Indien de veroordeelde na het uitzitten van zijn gevangenisstraf naar het oordeel van de gevangenis c.q. de minister c.q. het penitentiair psychiatrisch centrum nog gevaarlijk lijkt, kan vóór zijn vrijlating in de gevangenis of in het ppc een beoordeling op grond van de Wet BOPZ plaatsvinden, waardoor de gevangene na het uitzitten van zijn straf met een rechterlijke machtiging meteen kan doorstromen naar een geëigende gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis alwaar, gelet op het voorgaande, de maatschappij evengoed beveiligd wordt als in een tbs-kliniek.

Dit leidt tot de conclusie dat de maatschappij zonder tbs zeer wel tegen een gevaarlijke veroordeelde kan worden beveiligd. Tbs met verpleging — ik hoop dat de staatssecretaris het daarmee eens is — is geen beveiligingsmaatregel, maar een maatregel die het mogelijk maakt de straftijd te gebruiken om een behandeling aan te bieden die resocialisatie bevordert en de kans op recidive vermindert; een maatregel primair dus bedoeld om de straftijd goed te gebruiken. Als een veroordeelde daar geen gebruik van wenst te maken, loopt hij het risico na afloop van zijn straftijd nog steeds gevaarlijk te zijn en verder van zijn vrijheid te worden beroofd met een BOPZ-opname. Wat is daartegen, zo vraag ik de staatssecretaris. Zijn antwoord dat hij de eindtijd wil kunnen bepalen, dient zoals boven gesteld nader te worden onderbouwd met cijfers die aantonen dat de BOPZ-plaatsing onvoldoende beveiliging aan de samenleving biedt.

Zelfs als de staatssecretaris nog een kleine categorie veroordeelden zou kunnen detecteren voor wie, om welke reden dan ook, het bovenstaande volgens hem niet zou opgaan, dan nog dringt zich de vraag op of het doorbreken van het grote goed van het medisch beroepsgeheim in enigerlei verhouding staat tot de extra beveiliging van de samenleving die de staatssecretaris door die maatregel hoopt te bewerkstelligen. Het gaat naar schatting om zo'n 30 verdachten per jaar die niet willen meewerken aan een gedragskundige pro Justitia-rapportage. Kan de staatssecretaris aangeven welke misdrijven deze verdachten gepleegd hebben? Als deze 30 verdachten in het kader van de Wet BOPZ in een psychiatrisch ziekenhuis zouden worden opgenomen na afloop van hun straf, hoe groot is dan de kans dat de rechter de verzochte rechterlijke machtiging niet zou afgeven c.q. niet zou verlengen, c.q. dat de directeur de patiënt, ondanks het feit dat hij nog gevaar voor de samenleving kan veroorzaken, vrij zal laten?

Ik vind het niet nodig nader in te gaan op het grote belang voor de hele samenleving dat mensen erop kunnen vertrouwen dat hetgeen zij met hun arts bespreken niet zonder strikte noodzaak — conflict van plichten — bij anderen bekend wordt. Dat het medisch beroepsgeheim niet absoluut is, staat vast. Zo zal een arts die weet dat zijn patiënt naast de moord waarvoor hij terechtstaat en vrijgesproken dreigt te worden nog een andere moord heeft gepleegd, zich gesteld zien voor een conflict van plichten dat hem kan doen beslissen zijn beroepsgeheim te doorbreken. Het is dan wel zijn eigen, weloverwogen beslissing. In de door de staatssecretaris opgetuigde procedure heeft de arts helemaal niets te vertellen: zijn dossier wordt hem gewoon afgepakt. Het is vervolgens nog maar de vraag hoe vaak er medische gegevens beschikbaar zullen zijn en of die eventueel beschikbare medische gegevens relevant zullen zijn voor het opleggen van een tbs.

Op grond van het bovenstaande zal duidelijk zijn dat ik de door de staatssecretaris opgetuigde procedure onbesproken laat, omdat het oordeel van de SP-fractie in deze Kamer evenals in de Tweede Kamer — zie het amendement-Kooiman/Berndsen — is dat dit deel van het wetsvoorstel niet mag doorgaan. Het veld heeft terecht luidkeels geprotesteerd tegen dit voorstel. Doorbreken van het beroepsgeheim is niet nodig om de samenleving te beveiligen en het is schadelijk voor het vertrouwen van eenieder in zijn behandelaar. Er wordt geschoten met een kanon op een muis. Die muis kunnen we op een andere manier vangen.

Wij zijn benieuwd naar de antwoorden.