Eerste Kamer stemt in met bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek



De Eerste Kamer heeft dinsdag 6 juni 2017 gedebatteerd met minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) over de bevordering van internationalisering in het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Het wetsvoorstel werd aan het eind vanhet debat zonder stemming aanvaard. De fracties van de SP en PVV werd aantekening verleend. 

Nederlandse profilering

Senator Martens (CDA) gaf in het debat aan dat het wetsvoorstel kan bijdragen aan verdere profilering van het Nederlands hoger onderwijs en aan het bevorderen van uitwisseling van studenten en docenten. Daarbij is het van belang dat de academische vrijheid geborgd is dat het transnationaal onderwijs niet louter om financiële redenen plaats vindt. Dat is volgens Martens in dit wetsvoorstel geborgd. De senator zette wel vraagtekens bij de regels rondom promoveren (het ius promovendi).  Door dit wetsvoorstel kunnen voortaan ook niet-hoogleraren in aanmerking komen voor een promotie. Martens vroeg hoe kan worden voorkomen dat hier een glijdende schaal ontstaat. Ook vroeg zij naar de stand van zaken rondom de algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) die met dit wetsvoorstel gepaard gaan.

Internationalisering en digitalisering

Ook senator Bruijn (VVD) ging in zijn bijdrage in op het ius promovendi. Hij gaf aan dat zijn fractie begrip heeft voor de wens van niet-hoogleraren om promoties te begeleiden, maar nog niet geheel gerust gesteld is over de manier waarop dit in dit wetsvoorstel is vormgegeven. Bruijn stelde een aantal vragen over de beslissingsbevoegdheden bij promoties en vroeg de minister om dit specifieke onderdeel mee te nemen in een evaluatie na een aantal jaren. Bruijn vroeg de minister ook hoe zij aankijkt tegen de  handreiking voor promoties die is opgesteld voor universiteiten.

Verder zette de senator vraagtekens bij de mogelijkheid van de overheid om ook bij verdere internationalisering en digitalisering toezicht te houden op de kwaliteit en doelmatigheid van het hoger onderwijs. Hij noemde hiertoe een aantal vraagstukken uit de praktijk. Digitalisering - en bijvoorbeeld de behoefte aan een fysieke onderwijsinstelling - is een onderwerp dat volgens Bruijn extra aandacht behoeft. Er zou zelfs een integraal onderzoek aan gewijd kunnen worden.

Doel van internationalisering

Senator Rinnooy Kan (D66) merkte op dat het wetsvoorstel niet ingaat op de reden waaróm de Nederlandse overheid de internationalisering van universiteiten en hogescholen actief bevordert. Rinnooy Kan vroeg de minister of zij mogelijkheden ziet om de deelname aan het Erasmus-programma nog verder te bevorderen. De senator juichte toe dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt om niet slechts als bezoeker aan een buitenlandse instelling te verblijven, maar als deelnemer aan een gezamenlijk studieprogramma. Rinnooy Kan sprak in zijn bijdrage over het voornemen van de Rijksuniversiteit Groningen om een samenwerking tot stand te brengen met een nieuwe vestiging in Yantai, in de Volksrepubliek China. Hij vroeg de minister om de Kamer met enige regelmaat te informeren over deze samenwerking.

Verder vroeg de senator naar de financiering van Nederlandse instituten in het buitenland. Over het ius promovendi merkte Rinnooy Kan op dat het beter zou zijn om niet-hoogleraren een nulaanstelling te geven. Dan kunnen bijvoorbeeld ook gekwalificeerde hogeschoollectoren profiteren van de verruimde mogelijkheid tot promoveren. Tot slot stelde de senator dat het feit dat studenten de selectiekosten voor hun opleiding niet hoeven te betalen, leidt tot een forse kostenpost voor hogescholen. Hij vroeg de minister om te wachten met inwerkingtreding van dit onderdeel tot er een rechterlijke uitspraak is gedaan.

Internationale netwerken

Senator Gerkens (SP) plaatste vraagtekens bij de stelling dat het oprichten van een universiteit in een ander land de enige manier is om internationale netwerken te versterken. Er is volgens Gerkens ook nu al een goed systeem van uitwisseling. Wat wel onder druk staat, is het aantal Nederlandse studenten. Hierdoor valt er voor onderwijsinstellingen geld weg. Het binnenhalen van buitenlandse studenten zou dit kunnen ondervangen. De senator vroeg in het debat echter of het bevorderen van commerciële belangen van onderwijsinstellingen wel een taak van de overheid is. Het zou volgens de senator beter zijn om extra middelen beschikbaar te stellen voor onderzoek.

Verder vroeg Gerkens de minister of het denkbaar is dat Nederlandse instellingen ook worden opgericht in landen waar bijvoorbeeld geen onderwijs mag worden gegeven aan vrouwen. Volgens de senator is het bij het oprichten van Nederlandse opleidingen in het buitenland van belang dat de Nederlandse wetenschappelijke normen en waarden worden gewaarborgd.  

Fundamentele herbezinning

Senator Nooren (PvdA) merkte op dat haar fractie toejuicht dat er door dit wetsvoorstel helderheid komt over de geldigheidsduur van tentamens bij bijzondere omstandigheden. Ook merkte zij op dat studenten en docenten vaak enthousiast zijn over digitale lesmethodes. De kosten hiervoor zijn echter aanzienlijk. Nooren vroeg de minister hoe dit kan worden opgelost. De senator vroeg ook of dit wetsvoorstel bijdraagt aan het werven van internationaal vermogen. Daarnaast stelde zij een aantal vragen over het ius promovendi. Hier kleven een aantal haken en ogen aan.

Volgens Nooren is Nederland toe aan een fundamentele herbezinning op haar wetenschappelijk stelsel. De nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs en de gevolgen van de Brexit kunnen daarin meegenomen worden. Verder merkte zij op dat het aantal buitenlandse studenten in ons land nog steeds groeit. Nooren vroeg in dit kader onder meer naar mogelijke verdringing van Nederlandse studenten en toenemende kosten van Engelstalig onderwijs. Tot slot vroeg de senator hoe ver de internationaliseringsambitie van Nederland precies reikt.

Macht, kennis en inkomen

Senator Ganzevoort (GroenLinks) vroeg in het debat in hoeverre het wetsvoorstel bijdraagt aan spreiding van macht, kennis en inkomen. Studeren in het buitenland helpt om jonge mensen inclusief en open minded te denken. Het is de vraag of alleen de happy few of ook een bredere groep mensen van internationalisering kan profiteren. Voorkomen moet worden dat er een nieuw kennisimperialisme ontstaat. Het ontwikkelen van gezamenlijke programma's heeft volgens Ganzevoort meer toegevoegde waarde dan het aanbieden van Nederlandse opleidingen in het buitenland. Het zou volgens Ganzevoort naïef zijn om te denken dat het oprichten van nieuwe opleidingen in een machtsvrije, idealistische ruimte gebeurt.

De senator vroeg of de minister bereid is om in de AMvB vast te leggen dat er meer aandacht wordt besteed aan de effecten op het land van vestiging en om alleen toestemming te verlenen als een gezamenlijke opleiding met een instelling in het land van vestiging niet mogelijk is. Ook vroeg Ganzevoort aan de minister om met de minister van ontwikkelingssamenwerking af te stemmen in welke landen Nederland een substantiële bijdrage kan leveren.

Verbreding en verdieping

Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) betoogde dat internationalisering van het onderwijs kan bijdragen aan slimmere, creatievere studenten. Ook voor docenten biedt het verbreding en verdieping. Dit is volgens de minister met name van belang omdat studenten en wetenschappers de waardendragers van de toekomst zijn. Bovendien draagt dit bij aan onderzoek en innovatie. Internationalisering draagt inderdaad risico's met zich, maar dat betekent niet dat het geen toegevoegde waarde heeft.

Over het ius promovendi merkte de minister op dat ook in het verleden mogelijk was voor niet-hoogleraren om als promotor op te treden. Doel van dit wetsvoorstel is om te zorgen dat Nederland niet achter raakt op andere landen. Het zou zeer onterecht zijn als Nederlandse wetenschappers op achterstand komen te staan. De beslissingsbevoegdheid rondom het promoveren wijzigt volgens de minister niet wezenlijk ten opzichte van de huidige situatie. De hoogleraar blijft verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zijn of haar vakgebied. De gevreesde 'glijdende schaal' wordt voorkomen doordat er in het wetsvoorstel een aantal kwaliteitswaarborgen zijn opgenomen.

Het aanbieden van Nederlandse opleidingen in het buitenland ziet de minister als aanvulling op het bestaande spectrum. Het kan ook voorkomen dat dit in landen gebeurt die niet de Nederlandse waarden en normen delen. De Onderwijsinspectie zal beoordelen of het nodig is om ter plaatse inspecties te doen. Universiteiten en hogescholen moeten zelf financiële middelen voor dit onderwijs verwerven. Eventuele extra middelen die zij binnen halen, hoeven zij niet af te staan aan de Nederlandse Staat.  

Verder merkte de minister op dat er inderdaad wordt ingezet op verdere stimulering van deelname aan het Erasmusprogramma. De ontwikkeling van digitaal onderwijsaanbod is volgens de minister zeer relevant. Het is alleen nog even de vraag hoe ver de overheid moet gaan om dit te stimuleren. Er worden online pilotprojecten gesteund, maar het is niet de bedoeling dat digitaal onderwijs het fysieke onderwijs vervangt. Over de eigen bijdrage van studenten aan de kosten voor toelatingstoetsen merkte de minister op dat dit onderdeel van de wet hoe dan ook in werking zal treden. Er is nu in de onderwijssector grote onduidelijkheid over dit onderwerp.


Deel dit item: