Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2087(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0365/2006

Ingediende teksten :

A6-0365/2006

Debatten :

PV 16/11/2006 - 3
CRE 16/11/2006 - 3

Stemmingen :

PV 16/11/2006 - 6.10
CRE 16/11/2006 - 6.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0500

Door het Parlement aangenomen teksten
DOC 67k
Donderdag 16 november 2006 - Straatsburg Definitieve uitgave
Witboek inzake een Europees communicatiebeleid
P6_TA(2006)0500A6-0365/2006

Resolutie van het Europees Parlement over het Witboek inzake een Europees communicatiebeleid (2006/2087(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Witboek inzake een Europees communicatiebeleid" (COM(2006)0035),

–   gelet op deel II van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 195, 211 en 308 van het EG-Verdrag,

–   gelet op de artikelen 11, 41, 42 en 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Action Plan to improve communicating Europe by the Commission" (SEC(2005)0985),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bijdrage van de Commissie aan de periode van bezinning en daarna: Plan-D voor democratie, dialoog en debat" (COM(2005)0494),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2002 over de mededeling van de Commissie betreffende een nieuw kader voor praktische samenwerking in verband met het voorlichtings- en communicatiebeleid van de Europese Unie(2) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2003 over een voorlichtings- en communicatiestrategie voor de Europese Unie(3) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 mei 2005 betreffende de tenuitvoerlegging van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de Europese Unie(4) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A6-0365/2006),

A.   overwegende dat communicatie een belangrijk onderdeel van zowel een vertegenwoordigers- als een participatiedemocratie is,

B.   overwegende dat om deze reden een van de sterke kanten van de democratische elementen in de EU gekoppeld is aan de communicatiestructuren op Europees niveau die de schakel tussen de instellingen en de burgers vormen,

C.   overwegende dat het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting het middelpunt van de democratie in Europa en het fundament van de politieke systemen op Europees en nationaal niveau moeten vormen en dat informatie - voorzover mogelijk - toegankelijk voor het publiek moet worden gemaakt,

D.   overwegende dat de ervaringen met de Europese verkiezingen en referenda hebben geleerd dat degenen die op de hoogte van en geïnteresseerd in Europese aangelegenheden waren, vaker deelnamen, terwijl degenen die informatie tekort kwamen vaker niet deelnamen,

E.   overwegende dat er op dit moment geen geconsolideerde Europese publieke ruimte bestaat, maar wel zeer levendige nationale publieke ruimten; overwegende dat deze nationale publieke ruimten fundamentele verschillen te zien geven ten aanzien van de mate waarin Europese zaken worden bediscussieerd evenals de inhoud van de discussie,

F.   overwegende dat er een belangrijke verbetering tot stand zou komen wanneer Europese aangelegenheden een prominentere rol zouden vervullen in de nationale publieke ruimten,

G.   overwegende dat een eerste stap voor het creëren van een Europese publieke ruimte zou kunnen worden gevormd door het opheffen van het onderlinge isolement tussen de nationale publieke ruimten door middel van Europese communicatieve actie; overwegende dat dit nauw verband houdt met pan-Europese, althans transnationale mediastructuren,

H.   overwegende dat er duidelijke bewijzen bestaan dat de burgers te weinig informatie hebben over Europese aangelegenheden, zoals dit blijkt uit de uitslagen van diverse Eurobarometer-enquêtes,

I.   overwegende dat communicatie ook gekoppeld is aan transparantie, eenvoudige procedures, burgerschap en gemeenschappelijke waarden,

J.   overwegende dat Europese aangelegenheden en de "toegevoegde waarde" van de Europese wetgeving zelden erkenning krijgen in nationale debatten, waar nationale politici vaak met de eer van Europese succesverhalen gaan strijken, maar daarnaast vaak klaarstaan om kritiek op de EU te leveren, niet zelden wegens beleidsontsporingen op nationaal niveau,

K.   overwegende dat de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 juni 2006 de kwestie van institutionele hervorming opnieuw op de agenda heeft gezet,

L.   overwegende dat de 'bezinningsperiode' de Unie democratischer en effectiever moet maken en de band met de burgers moet herstellen,

Communicatiebeleid en de Europese publieke ruimte

1.   is verheugd over de presentatie van het Witboek en stemt in met de voornemens van de Commissie om het communicatiebeleid te transformeren tot een autonoom beleid met eigen inhoud;

2.   ziet de noodzaak van verbetering van de communicatie tussen de EU en haar burgers; is derhalve voorstander van het streven naar een totale herziening van de wijze waarop de communicatie met burgers nu georganiseerd is; onderstreept dat betere communicatie weliswaar geen compensatie kan zijn voor tekortschietend beleid, maar wel kan maken dat gevoerd beleid beter wordt begrepen;

3.   juicht het toe dat de Commissie erkent dat communicatie onlosmakelijk verbonden is met de boodschap en een tweerichtingsproces moet zijn, waarbij er naar de burgers wordt geluisterd; betreurt evenwel dat deze beginselen, die aan het begin van het Witboek worden genoemd, geen aanleiding geven tot concrete uitingen; nodigt de Commissie derhalve uit te preciseren hoe zij van plan is rekening te houden met de stem van de burgers, en stelt daartoe voor dat ook plaats wordt ingeruimd voor mogelijke initiatieven van de andere instellingen, bijvoorbeeld "Agora", een orgaan voor overleg met de vertegenwoordigers van de burgermaatschappij dat het Parlement heeft gelanceerd;

4.   verzoekt de Commissie met klem de totstandbrenging te bevorderen van een Europese publieke ruimte, die voornamelijk wordt gestructureerd via nationale, plaatselijke en regionale media, zonder daarbij de belangrijke rol van nationale en regionale kwaliteitskranten en het televisiejournaal bij het inruimen van voldoende plaats voor Europese zaken uit het oog te verliezen; verzoekt de lidstaten daarom de landelijke publieke omroepen aan te moedigen om de burgers passend te informeren over het op het Europese vlak gevoerde beleid;

5.   stelt vast dat een Europees communicatiebeleid niet moet streven naar het creëren van een communicatieruimte die met de nationale publieke ruimten wedijvert, maar veeleer naar het op één lijn brengen van het nationale debat met het debat op EU-niveau;

6.   verzoekt de Commissie met klem om bij het inrichten van het communicatiebeleid rekening te houden met de concrete voorstellen als genoemd in zijn reeds aangehaalde resolutie van 12 mei 2005;

Vaststellen van gemeenschappelijke beginselen

7.   is voorstander van het idee van het opzetten van een tweerichtingscommunicatie tussen de burgers en een EU die in staat en bereid is beter te luisteren naar wat de burgers over Europa te zeggen hebben; wijst er echter op dat het idee dat de burgers zelf de participatie en dialoog zouden moeten aansturen niet redelijk lijkt te zijn, omdat niet de burgers op zoek moeten naar de informatie, maar de informatie naar de burger moet komen;

8.   acht het niet passend het Parlement te onderwerpen aan een gedragscode die voorschrijft hoe het met de Europese burgers moet communiceren;

9.   verzoekt de Commissie een ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord in te dienen, waarin gemeenschappelijke beginselen worden vastgelegd ter kanalisering van de samenwerking tussen de Europese instellingen op het gebied van communicatie;

10.   verzoekt de Commissie met klem de mogelijkheden te bezien voor de invoering van een echt communautair programma voor voorlichting en communicatie over, dat de bestaande interinstitutionele partnerschapsmechanismen op dit gebied zou kunnen verbeteren; is van mening dat het Parlement volledig moet worden betrokken bij de vaststelling en afbakening van de precieze inhoud en reikwijdte van een dergelijk programma, wanneer de Commissie inderdaad een voorstel daartoe zou doen;

11.   is van mening dat nadrukkelijker moet worden verwezen naar de in het Handvest van de grondrechten verankerde beginselen en waarden om de reikwijdte van een Europees communicatiebeleid af te bakenen;

12.   herinnert eraan dat het Handvest van de grondrechten de rechten van de burgers met betrekking tot informatie reeds vaststelt, en dat elk mogelijk nieuw instrument de prerogatieven van het Parlement, een gekozen vergadering, moet respecteren, met name het recht van het Parlement zich vrij tot de burgers van heel de Unie te richten; verzoekt zijn Commissie constitutionele zaken de mogelijke aard en inhoud van een dergelijk interinstitutioneel instrument te analyseren;

13.   onderstreept het belang van een Grondwet voor Europa, die de Unie een politieker en democratischer karakter zou verlenen en haar aantrekkelijker zou maken in de ogen van de burgers; herinnert aan de politieke verantwoordelijkheid die het Parlement, de Raad en de Commissie hebben om dit proces te ondersteunen;

De rol van de burgers versterken

14.   is ingenomen met de door de Commissie geuite wens om Europa op alle niveaus uit te dragen, dat wil zeggen om Europese aangelegenheden op nationaal, regionaal en plaatselijke niveau aan de orde te stellen teneinde de boodschap te decentraliseren en onderstreept de noodzaak van communicatie op een zeer regelmatige basis; is ingenomen met het actieplan van de Commissie en verwacht een snelle tenuitvoerlegging daarvan;

15.   is van mening dat de ontwikkeling van een Europees bestuur dichtbij de burger, dat de brede waaier van de huidige ontvangstbalies en informatiepunten over Europese aangelegenheden zou kunnen ondersteunen, ertoe zou bijdragen belangrijke directe contacten te leggen tussen de Unie en haar burgers, met name door de toegang van de burgers tot Europese initiatieven en programma's die hen aanbelangen, te vergemakkelijken; is van mening dat de voorlichtingsbureaus van de Commissie en het Europees Parlement in de lidstaten hierbij een belangrijke rol spelen; is in deze context van mening dat het noodzakelijk is het werk dat tot nu toe is uitgevoerd door deze voorlichtingsbureaus grondig te herbeschouwen, aangezien hun PR-beleid niet de interesse van de burgers wekt en de middelen die hiervoor worden gebruikt veel doeltreffender aangewend zouden kunnen worden; zou dientengevolge graag zien dat zij een actiever (en minder bureaucratisch) karakter zouden hebben;

16.   verwelkomt het in november 2005 door de Commissie gelanceerde transparantie-initiatief, waarin wordt benadrukt dat een grote mate van transparantie deel uitmaakt van de legitimiteit van elk modern bestuur; wijst erop dat het Europese publiek mag verwachten dat openbare instellingen efficiënt werken, rekenschap afleggen en klantgericht zijn;

17.   ziet regio's en steden als de meest geschikte platforms voor het propageren van de Europese idee bij de burger en pleit ervoor het Comité van de Regio's te betrekken bij de tenuitvoerlegging van toekomstig communicatiebeleid;

18.   is voorstander van het idee om de debatten in de nationale en regionale parlementen te versterken;

19.   moedigt de nationale parlementen ertoe aan de rol van toezicht op hun regeringen bij hun optreden in de Raad te versterken, zodat de EU-instellingen duidelijker worden waargenomen en daarbij ook de democratische verantwoordingsplicht van de EU-instellingen scherper in beeld komt;

20.   onderstreept dat nationale parlementen meer aandacht moeten besteden aan Europese wetgevingsprojecten en dat veel vroeger in het besluitvormingsproces;

21.   wijst erop dat in de conclusies van het voorzitterschap van de Conferentie van voorzitters van de parlementen van de Europese Unie (Budapest, 6 en 7 mei 2005) de nationale parlementen ertoe worden opgeroepen ieder jaar en bij voorkeur in hun plenaire vergadering een debat over het jaarlijkse wetgevings- en werkprogramma van de Commissie te houden,

22.   onderstreept het belang van de bijeenroeping van de interparlementaire fora over de toekomst van Europa, waarvan er een bijeen zal komen ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de Verdragen van Rome; verzoekt, in het kader van het Europese communicatiebeleid, rekening te houden met de discussies op het niveau van de vertegenwoordigers van de Europese bevolking;

23.   onderstreept het belang van burgereducatie over de Europese integratie; is van mening dat een zekere mate van inzicht in Europa een noodzakelijke voorwaarde vormt voor een geslaagde wederzijdse communicatie met de EU, ook om bij te dragen tot het gevoel van een Europees burgerschap;

24.   betreurt dat de financiering voor sectorale programma's met een groot multipliereffect, zoals Leonardo da Vinci, Socrates en Erasmus, wordt gekort, omdat deze programma's de Europese dimensie beklemtonen en de vorming van transnationale netwerken bevorderen;

25.   is van mening dat het om de burger te kunnen bereiken belangrijk is dat er beter wordt gecommuniceerd en dat de relevantie van de besluiten van de EU voor het dagelijks leven duidelijk wordt gemaakt via samenwerking met regionale en plaatselijke instellingen; pleit ervoor dat meer nadruk wordt gelegd op een geregelde communicatie met de burgers over belangrijke regionale en lokale projecten waaraan de EU deelneemt, om zo te komen tot een gemeenschappelijk Europees project;

26.   is van oordeel dat het debat rekening moet houden met de specifieke behoeften en activiteiten van gehandicapten en minderheden alsmede van nationale en lokale toehoorders en specifieke doelgroepen; wenst dat er meer aandacht moet worden besteed aan het richten van relevante informatie, maar ook van informatie die op de regionale omstandigheden is afgestemd, op een welomschreven doelpubliek, zodat er een direct verband tot stand wordt gebracht tussen Europese vraagstukken en het dagelijks leven van de burgers;

27.   verwelkomt de initiatieven van bepaalde vertegenwoordigingen van de Commissie en nationale bestuursorganen om samen te werken bij voorlichtingscampagnes over Europese onderwerpen; denkt dat een dergelijke samenwerking kan bijdragen tot de vorming van een directere band tussen de burgers en de instellingen;

28.   verzoekt de Commissie om in een vroeg stadium van de beleidsvorming voor overleg met de belanghebbenden en het publiek te zorgen; is van oordeel dat bij uiterst belangrijke voorstellen in een aanvulling op de effectbeoordeling zou kunnen worden ingegaan op de manier waarop bij het opstellen van het voorstel rekening is gehouden met zaken die de burgers na aan het hart liggen; wijst erop dat de effecten van de raadpleging van het publiek voor de besluitvormingsprocedure van de EU duidelijk moeten worden gemaakt;

29.   wenst dat de Commissie een dynamisch en alert communicatiebeleid voert dat zich niet in de meeste gevallen beperkt tot een weergave van de uiteindelijk bereikte consensus maar zich meer richt op de ontwikkeling van besluiten die in de diverse stadia van het besluitvormingsproces worden genomen; is van mening dat het communicatiebeleid van de Unie de burgers een duidelijk inzicht moet verschaffen in de wijze waarop de Europese wetgeving tot stand komt;

Werken met de media en nieuwe technologieën

30.   benadrukt het belang van de media als intermediairs, opiniemakers en overbrengers van boodschappen naar de burger in de Europese publieke ruimte die de Commissie beoogt te ontwikkelen; verzoekt de Commissie daarom met klem om steun te verlenen aan concrete initiatieven zoals discussieforums over Europese culturele en politieke onderwerpen waar documentatie in diverse talen beschikbaar is, zodat vele Europese burgers met elkaar kunnen communiceren en informatie uitwisselen;

31.   benadrukt dat de geïnformeerde burger de basis is van een functionerende participatiedemocratie;

32.   verzoekt de Commissie zo nauwkeurig mogelijk te definiëren welke rol zij aan de media zou willen toekennen en benadrukt de noodzaak om een formule te vinden waarmee de nationale, regionale en plaatselijke media nauwer bij het communicatiebeleid worden betrokken, waarbij ook gedacht moet worden aan de inschakeling van alternatieve media als communicatiekanaal;

33.   is van oordeel dat de grensoverschrijdende samenwerking over Europese beleidsonderwerpen tussen regionale en lokale media moet worden versterkt; is van mening dat Europese samenwerking tussen media en journalisten de berichtgeving over de Europese Unie ten goede komt en verzoekt de Commissie om in het kader van de begroting een "Europees Fonds voor de (onderzoeks)journalistiek" op te richten, dat projecten ondersteunt waarbij journalisten uit meerdere lidstaten samen een Europees thema uitdiepen en vertalen naar de onderscheiden lokale en regionale situaties;

34.   is ingenomen met de intrekking van het voorstel voor de oprichting van een EU-nieuwsagentschap;

35.   beveelt aan dat de Commissie duidelijke en beknopte taal bezigt in haar communicatie met de burgers en de media en daarbij stelselmatig gebruik maakt van de officiële talen van hun lidstaat van herkomst of hun woonplaats; is van mening dat het gebruik van EU-jargon de kloof tussen de EU-instellingen en de burgers vergroot in plaats van deze te dichten;

36.   beveelt aan geregelde meningsuitwisselingen over Europese communicatie te organiseren tussen de Europese instellingen, in het bijzonder het Parlement, en de media;

37.   is van mening dat de taak van de Commissie in het algemeen en de lidstaten in het bijzonder van het geven van objectieve, betrouwbare en onpartijdige informatie over het Europese beleid een grondslag vormt voor een goed geïnformeerd debat; roept de lidstaten in dit verband op om de nationale ambtenaren meer informatie te verstrekken over het op het Europese vlak gevoerde beleid;

38.   is verheugd dat het witboek ten aanzien van de nieuwe technologieën in overeenstemming is met het laatste verslag van het Parlement over de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU;

39.   waardeert de voorstellen van de Commissie om de nieuwe communicatietechnologieën beter te gebruiken, maar wenst dat er maatregelen worden genomen opdat de "digitale kloof" niet nog een groter deel van de burgers van de toegang tot informatie over de Unie uitsluit; onderstreept in dit opzicht dat het goed zou zijn – met het oog op een globale aanpak – de specifieke communicatiemiddelen van de verschillende instellingen, bijvoorbeeld de toekomstige "Web TV" van het Europees Parlement, te integreren, telkens met behoud van de autonomie; onderstreept bovendien dat de traditionele massacommunicatiemiddelen zoals televisie, ten nutte moeten worden gemaakt;

Kennis van de Europese publieke opinie

40.   verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over de evaluatie van de door haar verrichte raadpleging;

41.   acht de oprichting van een Centrum voor de studie van de Europese publieke opinie op korte termijn van twijfelachtige verdienste en is van mening dat beter kan worden gezorgd voor meer coördinatie van het gebruik van de reeds beschikbare gegevens en hulpmiddelen voordat een dergelijke stap wordt gezet;

42.   stelt vast dat er geen bevredigend communicatiebeleid kan bestaan zonder nauwkeurige kennis van de lacunes in de informatie waarover de burgers van de Unie beschikken, of het nu gaat om de inhoud van de actie van de Gemeenschap of om de instellingen en procedures die het mogelijk maken deze in praktijk te brengen; verzoekt er dientengevolge om de diensten van de Eurobarometer te belasten met een specifiek en uitputtend opinieonderzoek dat het mogelijk maakt het niveau van de informatie van de burgers van de Gemeenschap nauwkeurig en gedifferentieerd te meten op basis van hun land van herkomst, hun sociaaleconomische categorie en hun politieke voorkeur;

Samenwerking

43.   verzoekt de Commissie concrete voorstellen uit te werken voor de tenuitvoerlegging van het communicatiebeleid en de juridische en financiële gevolgen daarvan te evalueren;

44.   is van mening dat het werk van de Interinstitutionele Groep voor Voorlichting moet worden onderzocht om te bezien of er verbeteringen mogelijk zijn;

45.   benadrukt de noodzaak voor een nauwere betrokkenheid van pan-Europese politieke partijen in de dialoog over EU-aangelegenheden met hun achterban;

46.   hecht bijzonder belang aan de rol die wordt vervuld door de politieke partijen ten behoeve van de parlementaire democratie op alle niveaus; betreurt dat het potentieel van de transnationale politieke partijen onbenut blijft; vindt het jammer dat veel nationale politieke partijen nauwelijks geneigd zijn op coherente en overtuigende wijze een Europese dimensie aan te nemen; verzoekt de politieke partijen dringend bij hun besluitvorming en hun verkiezingscampagne rekening te houden met Europese kwesties en ervoor te zorgen dat echte politieke keuzes met betrekking tot de toekomst van Europa worden aangeboden aan de burgers;

47.   onderstreept dat een communicatiebeleid rekening moet houden met het bijzondere "tempo" van de Europese aangelegenheden, vaak losgekoppeld van de nationale politieke agenda's en zich niet echt kan ontwikkelen los van de beleidslijnen en concrete acties van de Europese Unie, die een onafhankelijke agenda hebben; is derhalve van mening dat de Commissie, de Raad en het Parlement het eens moeten worden over een planning voor de grote dossiers die meer in het bijzonder de Europese publieke opinies aanbelangen, om hun inspanningen op communicatiegebied op deze onderwerpen te kunnen concentreren;

48.   verzoekt de instellingen om te bekijken of het mogelijk is een tweedelijnscoördinatiegroep met vertegenwoordigers van de bevoegde DG's van de verschillende instellingen en van de commissies van het Europees Parlement te vormen, die de concrete acties ter uitvoering van de door de interinstitutionele groep voor voorlichting (IGV) vastgestelde richtsnoeren coördineert;

49.   herhaalt dat de Europese Unie door de burgers, die niet worden geacht de institutionele verschillen te kennen, vaak wordt beschouwd als een eenheid en dat dus het communicatiebeleid van elke afzonderlijke instelling moet worden geïntegreerd in een gemeenschappelijke logica, met inachtneming van de bevoegdheden en de autonomie van elk van deze instellingen; herhaalt zijn verzoek om in die zin jaarlijks, tijdens een plenaire vergadering, een groot interinstitutioneel debat te organiseren met het oog op een gemeenschappelijke verklaring inzake de doelstellingen en middelen van dit beleid;

50.   steunt de ontwikkeling van de dialoog en de door de Europese, nationale en regionale instellingen gemeenschappelijk georganiseerde openbare debatten; onderstreept dat het belangrijk is de communicatie te ondersteunen met communicatieoverbrengers "voor het grote publiek", zoals culturele programma's (literaire prijzen of filmprijzen), sportevenementen, enz.; is van mening dat de communicatie rekening moet houden met een strategische koers die is gericht op de doelgroepen, zoals universiteiten, lokale of regionale overheden of beroepsorganisaties;

51.   is voorstander van de versterking van de rol van de Ombudsman om de transparantie van de EU geloofwaardiger te maken;

52.   stelt vast dat het PRINCE-programma aanvankelijk stoelde op samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten; wijst erop dat het Europees Parlement in zijn recente verslag over de communicatiestrategie van de EU al wees op de noodzaak van parlementaire deelneming aan de vaststelling van de prioriteiten van het PRINCE-programma en is daarom van mening dat de leden van het Parlement ten volle betrokken moeten worden bij de manifestaties die in het kader van dit programma worden georganiseerd;

53.   beveelt aan meer geld uit te trekken voor de bestaande financieringsprogramma's ter verbetering van de communicatie in termen van Europese integratie zoals Levenslang leren, Jongeren, Europa voor de burger, Media en Cultuur, mits de doelstellingen van de afzonderlijke programma's daarbij volledig worden gerespecteerd;

54.   pleit ervoor om de vijf bestaande begrotingslijnen van het PRINCE-programma te vervangen door een enkel programma beheerd door het Directoraat-generaal Communicatie, omdat zo meer flexibiliteit wordt verkregen en een centraal aanspreekpunt;

55.   onderstreept de noodzaak om de grootst mogelijke zichtbaarheid te geven aan de financiële steun die wordt verleend door de Europese Unie en, dientengevolge, de verplichting die iedere instelling, vereniging of activiteit die subsidie ontvangt uit hoofde van een programma van de Unie zou moeten hebben om te zorgen voor de openbaarmaking ervan;

56.   benadrukt dat voor een geslaagde communicatie de actieve deelneming van de lidstaten onmisbaar is en nodigt daarom de lidstaten uit technische en financiële middelen te vinden om aan de gezamenlijke communicatieve inspanningen van de EU bij te dragen;

57.   dringt er bij de lidstaten op aan de Gemeenschapswetgeving op passende wijze en prompt in nationale wetgeving om te zetten om te waarborgen dat alle burgers van de EU aanspraak op rechten hebben van hetzelfde niveau als die welke op grond van de Gemeenschapswetgeving voor hen gelden; doet een beroep op de Commissie er actiever naar te streven dat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht worden toegepast; moedigt de Commissie aan om in een partnerschap met de regeringen van de lidstaten de burgers op de hoogte te stellen van hun recht op toegang tot justitie en op een schadevergoeding bij inbreuk op hun rechten;

58.   verzoekt de Commissie haar partnerschappen op het gebied van communicatie beter hiërarchisch in te delen, door bevoorrechte relaties te ontwikkelen met transnationaal gerichte partners, zoals organisaties van het Europees maatschappelijk middenveld, dat zich momenteel in een structureringsfase bevindt, Europese politieke partijen en journalisten; bevestigt dat het van belang is hierin communicatiemiddelen die bestemd zijn voor de jeugd op te nemen met het oog op de versterking van een Europese burgerschapsruimte;

59.   onderstreept de noodzaak om de strategieën en de inhoud van het Witboek aan te nemen en te ontwikkelen op basis van de debatten die gaande zijn in de Europese maatschappij en tussen de lidstaten;

o
o   o

60.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de regio's, het Europees Sociaal en Economisch Comité en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(2) PB C 47 E van 27.2.2003, blz. 400.
(3) PB C 64 E van 12.3.2004, blz. 591.
(4) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 403.

Laatst bijgewerkt op: 15 mei 2007Juridische mededeling