In dit wetsvoorstel zijn maatregelen opgenomen die per 1 januari 2022 budgettair effect hebben, zoals maatregelen die raken aan de koopkracht van burgers. In het wetsvoorstel is sprake van budgettaire samenhang. De opbrengst van bepaalde maatregelen wordt gebruikt als dekking voor andere maatregelen.

Dit wetsvoorstel maakt deel uit van het pakket Belastingplan 2022 c.a.


Stand van zaken

De Tweede Kamer heeft het voorstel (EK, B herdruk) op 11 november 2021 aangenomen.

Voor: SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, PvdA, Fractie Den Haan, D66, ChristenUnie, VVD, SGP, Lid Omtzigt, CDA, JA21, BBB, PVV, FVD en Groep Van Haga.

Tegen: PvdD.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 21 december 2021 na stemming bij zitten en opstaan aangenomen.

Voor: CDA, FVD, VVD, Fractie-Otten, GroenLinks, SP, 50PLUS, PvdA, OSF, D66, PVV en ChristenUnie.

Tegen: SGP, Fractie-Otten en PvdD.

De plenaire behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer vond plaats op 13 en 14 december 2021, evenals de behandeling van vijf andere wetsvoorstellen van het pakket Belastingplan 2022. Tijdens deze debatten werden zeven moties ingediend waarvan er 1 op 14 december 2021 en 1 op 21 december 2021 werd aangehouden.

De stemmingen over de vijf overige moties vonden plaats op 21 december 2021.

Op 15 november 2021 vond een technische briefing over het wetsvoorstel door medewerkers van het ministerie van Financiën plaats.

De Eerste Kamercommissie voor Financiën (FIN) bespreekt op 13 september 2022 de brief van de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 7 juli 2022 ter aanbieding van het rapport Evaluatie fbi en vbi (EK, Q met bijlage).

De commissie heeft op 12 juli 2022 inbreng geleverd voor schriftelijk overleg over de brief van de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst van 28 juni 2022 inzake monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking (EK 25.087 / 35.927, R) (naar aanleiding van de toezegging 'Voortgangsrapportage inzake de bestrijding van belastingontwijking' (T03339)). De mogelijkheid tot het leveren van inbreng met betrekking tot de brief over de aanpak van belastingontwijking is verlengd en wordt opnieuw geagendeerd op 13 september 2022.

De commissie heeft bij brief van 19 juli 2022, naar aanleiding van recente berichtgeving in verschillende media inzake de vermeende handelswijze van de Belastingdienst in contacten met het bedrijf Uber, de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst om een schriftelijke reactie gevraagd.

De commissie heeft op 7 juni 2022 besloten de behandeling van

  • de brief van de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst over een nieuw stelsel voor vermogensrendementsheffing (box 3) op basis van werkelijk rendement (EK, M met bijlage);
  • de brief van de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst over de varianten voor rechtsherstel en spoedwetgeving in box 3 (EK, N met bijlagen);
  • de brief van de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst over de gemaakte keuzes voor rechtsherstel en spoedwetgeving in box 3 (EK, O),

in de Tweede Kamer af te wachten alvorens deze brieven opnieuw te agenderen.

De commissie bespreekt dan ook de uitvoeringsstatus van de motie-Prast (PvdD) c.s. over beëindigen van op basis van fictief rendement belasten van spaargeld (EK 35.927, I).

De commissie had eerder besloten deze brieven pas te agenderen wanneer de Voorjaarsnota 2022 beschikbaar is.


Kerngegevens

ingediend

21 september 2021

titel

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2022)

schriftelijke voorbereiding

inbreng geleverd door

ondertekening

inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat:

  • a. 
    artikel XXIII terugwerkt tot en met 1 januari 2020;
  • b. 
    de artikelen III en VII terugwerken tot en met 1 januari 2021;
  • c. 
    artikel XXII, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 april 2021;
  • d. 
    artikel IX, onderdelen A, B, C, D, E, F, G, H, Ha, I en J, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022;
  • e. 
    artikel VI, onderdeel D, toepassing vindt voordat artikel 35o, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2022 wordt toegepast;
  • f. 
    artikel I, onderdelen Ba en D, onder 1, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2022 is toegepast;
  • g. 
    het in artikel VI, onderdeel C, opgenomen artikel 31a, dertiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor het eerst toepassing vindt met ingang van 1 januari 2023;
  • h. 
    artikel VI, onderdeel Aa, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2022 is toegepast.

Documenten

Bladeren:
[1-50] [51-100] [101-150] [151-188] documenten
Bladeren:
[1-50] [51-100] [101-150] [151-188] documenten