T03124

Toezegging De rol van de Eerste Kamer in het proces met betrekking tot de covid-19 maatregelen bij de Tweede Kamer onder de aandacht brengen en vragen of het aanpassing behoeft (35.732)



De minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Janssen (SP), toe dat hij de rol van de Eerste Kamer in het proces met betrekking tot de covid-19 maatregelen, en of dit een wettelijke aanpassing behoeft, bij de Tweede Kamer onder de aandacht zal brengen en zal vragen of het aanpassing behoeft.


Kerngegevens


Uit de stukken

Handelingen I 2020-2021, nr. 24, item 5, blz. 63

De heer Janssen (SP):

Nee, en dat gebeurt ook niet zolang de minister en andere leden van het kabinet moties in die richting blijven ontraden. De minister en het kabinet stellen zich hier lijdelijk op, maar ze zouden ook het voortouw kunnen nemen. Vandaar dat ik verwees naar het ongemak dat ik bij de minister dacht te bespeuren. Het kabinet zou ook kunnen zeggen: wij denken dat het goed is dat wij, gelet op de rol van de Eerste Kamer, omdat wij de covidpandemie met elkaar willen bestrijden, nog eens kijken naar die maatregelen in het kader van die Tijdelijke wet maatregelen, die wij niet voorzien hebben toen we het in oktober bespraken. Het kabinet vindt het van belang om ook met de Tweede Kamer het gesprek aan te gaan of dat toch niet voor de hand ligt, bijvoorbeeld op het onderwerp van de avondklok, dat zo zwaarwegend is. Het gaat mij erom dat het kabinet niet lijdelijk moet zeggen "iemand moet een keer met de Tweede Kamer gaan praten", maar dat u er ook zelf het voortouw in kunt nemen.

Minister Grapperhaus:

Als dat de vraag is … Zo heb ik het tot nu toe niet begrepen. Deze motie van de heer Nicolaï, die door de heer Janssen is medeondertekend, zegt in lekentaal: er moet een instemmingsrecht komen, ook van de Eerste Kamer, bij iedere verlenging van de avondklok. Ik zie weer verbaasde blikken, maar dat is wat ik in deze motie lees. Ik moet die ontraden om de redenen die ik heb gezegd. Ik ga me dan in iets begeven wat in het hele wetgevingsproces nou net niet zo is geregeld. Ik ben wel bereid om bij een eerstvolgende gelegenheid — die zal er ongetwijfeld zijn, want we staan ongeveer wekelijks met maatregelen in de Tweede Kamer — dit punt in de Tweede Kamer onder de aandacht te brengen en te vragen of de leden vinden dat het proces met betrekking tot de maatregelen in dat opzicht wettelijke aanpassing behoeft. Dat vind ik prima. Dat wil ik zo toezeggen.

De heer Janssen (SP):

Dank voor deze toezegging. Dat is een goede toezegging, maar dan niet met de ondertoon "we hebben het liever niet, maar ik moet het er van de Eerste Kamer met u over hebben". Dat zou dan weer in strijd zijn met hetgeen de minister tot nu toe probeert uit te stralen.

Minister Grapperhaus: Ik kan niet tegen de Tweede Kamer zeggen: maar we gaan voortaan wel met de Eerste Kamer praten. Dat kan ook niet, dus ik moet daar wel een zekere neutraliteit in vasthouden.

De voorzitter: De heer Janssen, uw derde.

De heer Janssen (SP):

Zeker, maar u kunt daar ook een eigen appreciatie aan geven — zoals u ook moties ontraadt of moties oordeel Kamer geeft — wat naar het oordeel van het kabinet het belang zou zijn om bij dusdanig zwaarwegende maatregelen gezamenlijk positie in te nemen. Dat is het enige wat ik aan u vraag.

De voorzitter:

De heer Recourt, deze keer wel.

De heer Recourt (PvdA):

Dit keer stop ik bij de microfoon. Zou het de minister helpen in zijn gesprek met de Tweede Kamer als hij uit zijn achterzak een aangenomen motie van de Eerste Kamer kan toveren? Hij kan dan zeggen: "De Eerste Kamer wil het in ieder geval. Het kabinet wil het ook. Zullen we eens even in gesprek gaan?"

Minister Grapperhaus:

Er is natuurlijk een motie van de heer Janssen. Die heeft ons nog niet verder gebracht. Dinsdag, Deo volente, kunnen we hier met elkaar over spreken. Dan zou zo'n motie wellicht kunnen helpen. De motie zoals die er nu ligt, moet ik dus ontraden.


Brondocumenten


Historie