Aanwezigheid van prinsen en prinsessen

Bij de allereerste opening van de Staten-Generaal (die toen nog maar uit één Kamer bestond) op 2 mei 1814 was niet alleen de vorst, Willem I, aanwezig, maar ook diens tweede zoon Prins Frederik. De kroonprins, de latere Koning Willem II, was toen afwezig. Later was het gebruikelijk dat zonen (en broers) van de Koning de plechtigheid bijwoonden. Dat gold niet voor de echtgenotes van de Koning. De prins-gemalen van onze Koninginnen waren daarentegen wel meestal aanwezig, evenals de echtgenoten van kinderen van de regerende vorstin.


Van 1815 tot 1848

Tussen 1815 en 1848 was het gebruikelijk dat zonen en broers van de koning aanwezig waren op Prinsjesdag. Onder Koning Willem I gingen de kroonprins (de Prins van Oranje) en diens broer, Prins Frederik, met hun vader mee in een koets. In 1838 voegde zich ook de kleinzoon van Willem I, de latere Koning Willem III, bij hen, en nog weer een jaar later zijn tweede kleinzoon, Prins Alexander.

Koning Willem II ging gedurende zijn gehele regeerperiode te paard naar het Binnenhof, waarbij hij meestal vergezeld werd door de prins van Oranje. In 1842 kwamen zelfs alle drie de zonen (Willem, Alexander en Hendrik) en de broer van de Koning, Prins Frederik, te paard.

De echtgenotes van Willem I en Willem II, resp. Koningin Wilhelmina en Koningin Anna Paulowna waren nimmer aanwezig.


Van 1849 tot 1890

De eerste maal dat Koning Willem III de troonrede voorlas, in september 1849, werd die gebeurtenis bijgewoond door zijn echtgenote en twee zoontjes. Koningin Sophia en de prinsen Willem (9 jaar) en Maurits (6 jaar) zaten echter niet in de zaal, maar volgden de plechtigheid vanaf een loge.

Nadat Prins Willem (de Prins van Oranje) in 1858 meerderjarig was geworden, ging hij wel met zijn vader mee naar Prinsjesdag. In 1874 gold dat eveneens voor de in dat jaar meerderjarig geworden Prins Alexander. Deze laatste zou nadien nog eenmaal, in 1876, aanwezig zijn. Vanaf 1879 weigerde Alexander, die na het overlijden van zijn broer Prins van Oranje was geworden, naar de Ridderzaal te komen. Hij voerde daarvoor als reden aan dat hij nog te geschokt was door de dood van zijn moeder (in 1877) en van zijn broer (in 1879).

Prins Willem had tussen 1876 en 1879 overigens ook al verstek gaan, omdat hij zich in Parijs had gevestigd. Hij had ruzie met zijn vader, omdat die hem toestemming weigerde voor een huwelijk met jonkvrouw Mathilde van Limburg Stirum.


Van 1891 tot 1979

Na de dood van Willem III in november 1890 werd de troonrede zeven jaar voorgelezen door Koningin-regentes Emma. Zij liet zich in 1897 vergezellen van de, toen nog minderjarige, Koningin Wilhelmina. Nadat die in 1898 gerechtigd was het koningschap op zich te nemen, ging haar moeder mee naar Prinsjesdag (de laatste maal in 1932). Deze vond aanvankelijk plaats in de Tweede Kamer. Vanaf 1904 was Prinsjesdag in de Ridderzaal. 

In 1901 woonde Prins Hendrik, die in januari van dat jaar met Koningin Wilhelmina was getrouwd, de opening van de Staten-Generaal bij. Hij zou dat ieder jaar tot zijn dood in 1934 blijven doen. 

Vanaf 1927 was ook Prinses Juliana aanwezig op het podium in de Ridderzaal, nadat zij in april van dat jaar meerderjarig was geworden. In 1938 ging Prins Bernhard, die in januari van dat jaar met Juliana in het huwelijk was getreden, mee naar de Ridderzaal.

Wilhelmina zou naar haar abdicatie in 1948 niet meer verschijnen op Prinsjesdag.

De dochters van Koningin Juliana waren vanaf het moment dat zij meerderjarig waren, vaak aanwezig op Prinsjesdag. Beatrix voor het eerst in 1956, Irene in 1958, Margriet in 1961 en Christina in 1965. Nadat zij in 1964 zonder toestemming van de Staten-Generaal een huwelijk was aangegaan, kwam hieraan voor prinses Irene een einde.

Prins Claus en prof. mr. Pieter van Vollenhoven, woonden als echtgenoten van Prinses Beatrix en van Prinses Margriet, vanaf respectievelijk 1965 en 1967 Prinsjesdag bij.


Van 1980 tot 2004

Vanaf 1985 woonde Prins Willem-Alexander als regel de gebeurtenissen op Prinsjesdag bij. In dat jaar werd hij immers meerderjarig. Een enkele maal kon hij vanwege studie of dienstplicht niet aanwezig zijn. Ook de prinsen Johan Friso en Constantijn waren meestal aanwezig.

In 2001 was Prinses Laurentien, die dat jaar met Prins Constantijn was getrouwd, als eerste aangetrouwde dochter van een regerend vorst(in) aanwezig in de Ridderzaal. In 2002 woonde Prinses Máxima voor het eerst Prinsjesdag bij.


2013

In 2013 werd de troonrede voor het eerst voorgelezen door Koning Willem-Alexander. Hij werd daarbij vergezeld door Koningin Máxima, Prins Constantijn en Prinses Laurentien.